Art. 16, Voorwaarden met betrekking tot de steunaanvragen voor dieren
1. Een steunaanvraag voor dieren moet alle gegevens bevatten die nodig zijn om te bepalen of aanspraak op de steun kan worden gemaakt, en met name:
a) de identiteit van de landbouwer;
b) een verwijzing naar de verzamelaanvraag indien deze reeds is ingediend;
c) het aantal dieren van elk type waarvoor steun wordt aangevraagd en, wat runderen betreft, hun identificatiecode;
d) in voorkomend geval, de verbintenis van de landbouwer om de onder c) bedoelde dieren gedurende de aanhoudperiode op zijn bedrijf te houden en een opgave van de plaats of plaatsen waar deze dieren zullen worden aangehouden, en van de betrokken periode of perioden;
e) in voorkomend geval, het individuele maximum voor de betrokken dieren;
f) in voorkomend geval, de individuele referentiehoeveelheid melk waarover de landbouwer beschikte op 31 maart of, indien de betrokken lidstaat besluit gebruik te maken van de bij artikel 44 bis van Verordening (EG) nr. 2342/1999 vastgestelde afwijking, 1 april van het betrokken kalenderjaar; indien deze hoeveelheid niet bekend is op de datum waarop de aanvraag wordt ingediend, wordt zij zo spoedig mogelijk aan de bevoegde autoriteit meegedeeld;
g) een verklaring van de landbouwer dat hij kennis heeft genomen van de voor de betrokken steun geldende voorwaarden.
Indien een dier gedurende de aanhoudperiode naar een andere plaats wordt overgebracht, stelt de landbouwer de bevoegde autoriteit daar vooraf schriftelijk van in kennis.
2. De lidstaten garanderen elke houder van dieren het recht om zonder beperkingen, met redelijke tussenpozen en binnen een niet al te lange termijn informatie te verkrijgen over de in het gecomputeriseerde gegevensbestand voor runderen opgeslagen gegevens die betrekking hebben op hem en zijn dieren. Bij de indiening van zijn steunaanvraag verklaart de landbouwer dat die gegevens juist en volledig zijn, dan wel corrigeert hij de onjuiste gegevens of voegt hij de ontbrekende gegevens toe.
3. De lidstaten kunnen besluiten dat sommige van de in lid 1 bedoelde gegevens niet in de steunaanvraag hoeven te worden opgenomen indien zij reeds aan de bevoegde autoriteit zijn meegedeeld.
Met name kunnen de lidstaten procedures invoeren die het mogelijk maken de in het gecomputeriseerde gegevensbestand voor runderen opgenomen gegevens te gebruiken ten behoeve van de steunaanvraag, mits bij het gecomputeriseerde gegevensbestand voor runderen sprake is van de mate van zekerheid en implementatie die voor een goed beheer van de betrokken steunregelingen nodig is. Dergelijke procedures kunnen bestaan in een systeem waarbij een landbouwer steun kan aanvragen voor alle dieren die op een door de lidstaat te bepalen datum op basis van de in het gecomputeriseerde gegevensbestand voor runderen opgenomen gegevens voor de steun in aanmerking komen. In dat geval nemen de lidstaten de nodige maatregelen om te garanderen dat:
a) overeenkomstig de voor de betrokken steunregeling geldende voorschriften de begin- en de einddatum van de desbetreffende aanhoudperiode duidelijk worden aangegeven en bij de landbouwer bekend zijn;
b) het de landbouwer bekend is dat alle dieren die niet correct geïdentificeerd of geregistreerd overeenkomstig de identificatie- en registratieregeling voor runderen blijken te zijn, worden beschouwd als in artikel 59 van de onderhavige verordening bedoelde dieren ten aanzien waarvan onregelmatigheden zijn vastgesteld.
In het geval van de in artikel 125 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde zoogkoeienpremie geldt dat de eventueel vastgestelde onregelmatigheden met betrekking tot de identificatie- en registratieregeling voor runderen evenredig worden verdeeld tussen het aantal dieren dat nodig is om de premie te ontvangen, en de dieren die nodig zijn voor de levering van melk en zuivelproducten als bedoeld in artikel 125, lid 2, onder b), van die verordening. Die onregelmatigheden worden echter eerst toegerekend aan het aantal dieren dat niet nodig is binnen de individuele beperkingen of maxima als bedoeld in artikel 125, lid 2, onder b), en artikel 126 van die verordening.
4. De lidstaten kunnen bepalen dat sommige van de in lid 1 bedoelde gegevens kunnen of moeten worden verstrekt via een instantie of instanties die door hen is of zijn erkend. De landbouwer blijft evenwel verantwoordelijk voor de verstrekte gegevens.