Art. 12, Inhoud van de verzamelaanvraag

1. De verzamelaanvraag moet alle gegevens bevatten die nodig zijn om te bepalen of aanspraak op de steun kan worden gemaakt, en met name:

a) de identiteit van de landbouwer;

b) de betrokken steunregeling of -regelingen;

c) ten behoeve van de bedrijfstoeslagregeling, de identificatie van de toeslagrechten volgens het in artikel 7 bedoelde identificatie- en registratiesysteem, uitgesplitst in braakleggingstoeslagrechten en andere toeslagrechten;

d) de voor de identificatie van alle percelen landbouwgrond van het bedrijf benodigde gegevens, de oppervlakte van deze percelen, uitgedrukt in hectaren tot twee cijfers achter de komma, de ligging ervan en, voorzover relevant, het grondgebruik op die percelen en het feit dat het al dan niet om een geïrrigeerd perceel gaat;

e) een verklaring van de landbouwer dat hij kennis heeft genomen van de voorwaarden die in verband met de betrokken steunregelingen gelden.

2. Ten behoeve van de identificatie van de toeslagrechten als bedoeld in lid 1, onder c), van het onderhavige artikel wordt op de overeenkomstig artikel 22, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 aan de landbouwers verstrekte voorbedrukte formulieren melding gemaakt van de identificatie van de toeslagrechten volgens het in artikel 7 van de onderhavige verordening bedoelde identificatie- en registratiesysteem, zulks met een uitsplitsing in braakleggingstoeslagrechten en andere toeslagrechten.

Bij de indiening van het aanvraagformulier corrigeert de landbouwer het voorbedrukte formulier indien zich wijzigingen, met name overdrachten van toeslagrechten overeenkomstig artikel 46 van Verordening (EG) nr. 1782/2003, hebben voorgedaan.

De landbouwer geeft de oppervlakte voor het doen gelden van braakleggingstoeslagrechten en de oppervlakte voor het doen gelden van andere toeslagrechten afzonderlijk aan. Overeenkomstig artikel 54, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 neemt de landbouwer zijn braakleggingstoeslagrechten in de aanvraag op vóór alle andere toeslagrechten. Bijgevolg geeft de landbouwer de braak te leggen oppervlakte aan die overeenkomt met zijn aantal braakleggingstoeslagrechten, op voorwaarde dat hij over voldoende subsidiabele hectaren beschikt. In het geval dat het aantal subsidiabele hectaren kleiner is dan het aantal braakleggingstoeslagrechten, kan de landbouwer in zijn aanvraag het aantal braakleggingstoeslagrechten opnemen dat overeenkomt met de oppervlakte waarover hij beschikt.

3. Ten behoeve van de identificatie van alle percelen landbouwgrond op het bedrijf als bedoeld in lid 1, onder d), van het onderhavige artikel wordt op de overeenkomstig artikel 22, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 aan de landbouwers verstrekte voorbedrukte formulieren melding gemaakt van de oppervlakte per referentieperceel die maximaal voor steun in het kader van de bedrijfstoeslagregeling in aanmerking komt. Voorts worden op het grafische materiaal dat overeenkomstig het genoemde lid 2 aan de landbouwer wordt bezorgd, de grenzen en de unieke identificatie van de referentiepercelen aangegeven en geeft de landbouwer daarop de ligging van elk perceel landbouwgrond aan. Bij de indiening van het aanvraagformulier corrigeert de landbouwer bovendien het voorbedrukte formulier indien zich wijzigingen hebben voorgedaan.

Uitspraken die dit artikel aanhalen