Art. 9 Verordening (EG) nr. 795/2004, Inhoudingen op de verkoop van toeslagrechten
1. Lidstaten die gebruik maken van de in artikel 46, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 geboden mogelijkheid, kunnen besluiten aan de nationale reserve te laten vervallen:
a) bij verkoop van toeslagrechten zonder grond: maximaal 30 % van de waarde van elk toeslagrecht of het gelijkwaardige, in aantal toeslagrechten uitgedrukte bedrag. Gedurende de eerste drie jaar waarin de bedrijfstoeslagregeling wordt toegepast, mag dit echter 50 % zijn in plaats van 30 %;
en/of
b) bij verkoop van toeslagrechten met grond: maximaal 10 % van de waarde van elk toeslagrecht of het gelijkwaardige, in aantal toeslagrechten uitgedrukte bedrag;
en/of
c) bij verkoop van braakleggingstoeslagrechten zonder grond: maximaal 30 % van de waarde van elk toeslagrecht. Gedurende de eerste drie jaar waarin de bedrijfstoeslagregeling wordt toegepast, mag dit echter 50 % zijn in plaats van 30 %;
en/of
d) bij verkoop van toeslagrechten met een volledig bedrijf: maximaal 5 % van de waarde van elk toeslagrecht en/of het gelijkwaardige, in aantal toeslagrechten uitgedrukte bedrag;
en/of
e) bij verkoop van toeslagrechten waarmee een toestemming als bedoeld in artikel 60 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 is verbonden: maximaal 10 % van de waarde van elk toeslagrecht.
Bij verkoop van toeslagrechten met of zonder grond aan een landbouwer die met een landbouwactiviteit begint, en bij feitelijke of verwachte vererving van toeslagrechten, wordt geen inhouding toegepast.
2. Bij de vaststelling van de in lid 1 vermelde percentages mogen de lidstaten in elk van de in lid 1, onder a) tot en met e), vermelde gevallen het percentage differentiëren op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden voorkomen.