Art. 4
1. Alle dieren op een bedrijf die na 9 juli 2005 zijn geboren, worden overeenkomstig lid 2 geïdentificeerd binnen een door de lidstaat te bepalen termijn die ingaat bij de geboorte van het dier, en in elk geval vóórdat het dier het geboortebedrijf verlaat. De termijn mag niet meer dan zes maanden bedragen.
In afwijking daarvan mogen de lidstaten deze termijn verlengen tot ten hoogste negen maanden voor dieren die worden gehouden in extensieve houderijsystemen of in openluchtfokkerijen. De betrokken lidstaat stelt de Commissie in kennis van de toegestane afwijking. In voorkomend geval worden de uitvoeringsbepalingen vastgesteld volgens de in artikel 13, lid 2, bedoelde procedure.
2. De dieren worden geïdentificeerd:
a) door middel van een eerste identificatiemiddel dat voldoet aan de in de bijlage, deel A, punten 1 tot en met 3, vastgestelde voorschriften, en
b) door middel van een tweede identificatiemiddel dat door de bevoegde autoriteit is erkend en dat beantwoordt aan de in de bijlage, deel A, punt 4, genoemde technische kenmerken.
c) Tot aan de in artikel 9, lid 3, vermelde datum mag dit tweede identificatiemiddel evenwel worden vervangen door het in de bijlage, deel A, punt 5, beschreven systeem, behalve bij dieren die aan het intracommunautaire handelsverkeer onderworpen zijn.
d) De lidstaten die het onder c) bedoelde systeem invoeren, verzoeken de Commissie het goed te keuren volgens de procedure van artikel 13, lid 2. Daartoe bestudeert de Commissie de door de lidstaten toegezonden documentatie, en voert zij de voor de evaluatie van het systeem vereiste controles uit. Na afloop van deze controles legt de Commissie binnen een termijn van 90 dagen vanaf de ontvangst van het verzoek tot goedkeuring aan het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid een verslag met voorstellen voor passende maatregelen voor.
3. Voor dieren die bestemd zijn om te worden geslacht voordat ze twaalf maanden oud zijn en die niet bestemd zijn voor het intracommunautaire handelsverkeer of voor uitvoer naar derde landen, mag de bevoegde autoriteit evenwel de in de bijlage, deel A, punt 7, beschreven identificatiemethode toestaan als alternatief voor de in lid 2 genoemde identificatiemiddelen.
4. Een uit een derde land ingevoerd dier dat na 9 juli 2005 de bij Richtlijn 91/496/EEG vastgestelde controles heeft ondergaan en dat op het grondgebied van de Gemeenschap blijft, wordt overeenkomstig lid 2 op het bedrijf van bestemming waar fokactiviteiten plaatsvinden, geïdentificeerd binnen een door de lidstaat te bepalen termijn van ten hoogste 14 dagen nadat het die controles heeft ondergaan en in elk geval voordat het dier het bedrijf weer verlaat.
De oorspronkelijke identificatie door het derde land wordt in het in artikel 5 bedoelde bedrijfsregister genoteerd, evenals de door de lidstaat van bestemming toegekende identificatiecode.
De in lid 1 bedoelde identificatie is echter niet nodig voor een voor de slacht bestemd dier indien het van de veterinaire grensinspectiepost rechtstreeks wordt vervoerd naar een slachthuis in de lidstaat waar de in de eerste alinea bedoelde controles zijn verricht en het binnen vijf werkdagen na uitvoering van die controles wordt geslacht.
5. Dieren uit een andere lidstaat behouden hun oorspronkelijke identificatie.
6. Identificatiemiddelen mogen niet worden verwijderd of vervangen zonder de toestemming van de bevoegde autoriteit. Wanneer een identificatiemiddel onleesbaar is geworden of verloren is gegaan, dan wordt overeenkomstig dit artikel zo snel mogelijk een nieuw identificatiemiddel met dezelfde code aangebracht. Behalve de code kan op het nieuw aangebrachte identificatiemiddel, duidelijk gescheiden van de code, worden aangegeven om de hoeveelste vervanging het gaat.
De bevoegde autoriteit kan echter toestemming geven om het nieuw aangebrachte identificatiemiddel onder haar controle te voorzien van een andere code, op voorwaarde dat het doel van traceerbaarheid niet wordt ondermijnd, met name bij dieren die worden geïdentificeerd volgens de bepalingen van lid 3.
7. De identificatiemiddelen worden aan de bedrijven toegekend, gedistribueerd en bij de dieren aangebracht op de door de bevoegde autoriteit vastgestelde wijze.
8. De lidstaten stellen elkaar en de Commissie in kennis van het op hun grondgebied gebruikte model van het identificatiemiddel en van de gebruikte identificatiemethode.
9. Tot de in artikel 9, lid 3, genoemde datum zien de lidstaten die op vrijwillige basis, overeenkomstig de bepalingen van de bijlage, deel A, punten 4 en 6, elektronische identificatie hebben ingevoerd, erop toe dat het elektronisch identificatienummer en de kenmerken van het gebruikte identificatiemiddel worden vermeld in het desbetreffende certificaat van Richtlijn 91/68/EEG waarvan de dieren vergezeld gaan, die aan het intercommunautaire handelsverkeer deelnemen.