Art. 12 Verordening (EG) nr. 21/2004
1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de naleving van deze verordening te garanderen. De vastgestelde controles staan los van de controles die de Commissie kan uitvoeren op grond van artikel 9 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95.
2. De lidstaten stellen voorschriften vast inzake de sancties die van toepassing zijn wanneer deze verordening wordt overtreden, en zij treffen de nodige maatregelen om te garanderen dat de sancties worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.
3. Deskundigen van de Commissie, in samenwerking met de bevoegde autoriteiten:
a) gaan na of de lidstaten de voorschriften van deze verordening naleven;
b) verrichten, indien nodig, controles ter plaatse om zich ervan te vergewissen dat de in lid 1 bedoelde controles worden verricht overeenkomstig deze verordening.
4. De lidstaat op het grondgebied waarvan een controle ter plaatse wordt verricht, verleent de deskundigen van de Commissie alle medewerking die deze deskundigen bij het uitvoeren van hun taak nodig kunnen hebben.
De resultaten van de controles worden met de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat besproken voordat een eindverslag wordt opgesteld en verspreid.
5. Als de Commissie dat in het licht van de controleresultaten nodig acht, beziet zij de situatie opnieuw in het kader van het in artikel 13, lid 1, bedoelde Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid. Zij kan de nodige besluiten vaststellen volgens de in artikel 13, lid 2, bedoelde procedure.
6. De Commissie volgt het verdere verloop van de situatie. Op grond daarvan kan zij volgens de in artikel 13, lid 2, bedoelde procedure de in lid 5 bedoelde besluiten wijzigen of intrekken.
7. In voorkomend geval worden bepalingen ter uitvoering van dit artikel vastgesteld volgens de in artikel 13, lid 2, bedoelde procedure.