Art. 7 Richtlijn 2004/36/EG, Vliegverbod voor luchtvaartuigen

Richtlijn 2004/36/EG

1. Wanneer niet-naleving van internationale veiligheidsnormen duidelijk de vliegveiligheid in gevaar brengt, moet de exploitant van luchtvaartuigen maatregelen nemen om voor het vertrek van de vlucht de gebreken te herstellen. Indien de bevoegde autoriteit die de platforminspectie uitvoert er niet van overtuigd is dat de gebreken vóór de vlucht zullen worden hersteld, houdt zij het luchtvaartuig aan de grond, totdat het gevaar is weggenomen en stelt zij de bevoegde autoriteiten van de betrokken exploitant en van de staat waar het luchtvaartuig ingeschreven is daarvan onmiddellijk in kennis.

2. De bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de inspectie is uitgevoerd, kan in overleg met de staat die verantwoordelijk is voor de exploitatie van het betrokken luchtvaartuig of de staat waar het luchtvaartuig ingeschreven is, bepalen onder welke voorwaarden het luchtvaartuig mag doorvliegen naar een luchthaven waar de gebreken kunnen worden hersteld. Indien het gebrek de geldigheid van het bewijs van luchtwaardigheid in gevaar brengt, mag het vliegverbod alleen worden opgeheven indien de exploitant de toestemming krijgt van de staat of staten waar het luchtvaartuig overheen zal vliegen.

Vorige artikelen

Volgende artikelen