Art. 15, Verwijzing naar een gerecht dat beter in staat is de zaak te behandelen
1. De gerechten van een lidstaat die bevoegd zijn om ten gronde over een zaak te beslissen, kunnen bij wijze van uitzondering, indien naar hun inzicht een gerecht van een andere lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft beter in staat is de zaak of een specifiek onderdeel daarvan te behandelen, in het belang van het kind:
a) de behandeling van de zaak of het betrokken onderdeel daarvan aanhouden en de partijen uitnodigen om overeenkomstig lid 4 een daartoe strekkend verzoek te richten aan het gerecht van die andere lidstaat; of
b) het gerecht van een andere lidstaat verzoeken zijn bevoegdheid overeenkomstig lid 5 uit te oefenen.
2. Lid 1 is van toepassing:
a) op verzoek van een van de partijen, of
b) op initiatief van het gerecht, of
c) op verzoek van het gerecht van een andere lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft, overeenkomstig lid 3.
Verwijzing op initiatief van het gerecht of op verzoek van het gerecht van een andere lidstaat kan echter slechts plaatsvinden indien zulks door ten minste een van de partijen wordt aanvaard.
3. Het kind wordt geacht in de zin van lid 1 een bijzondere band met een lidstaat te hebben indien:
a) het kind na de aanhangigmaking van een zaak bij het in lid 1 bedoelde gerecht zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft verkregen; of
b) het kind voordien zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat had; of
c) het kind onderdaan van die lidstaat is; of
d) een van de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft; of
e) het geschil betrekking heeft op maatregelen ter bescherming van het kind die verband houden met het beheer, de instandhouding van of de beschikking over bestanddelen van het vermogen van het kind die zich op het grondgebied van die lidstaat bevinden.
4. Het gerecht van de lidstaat dat bevoegd is om ten gronde over de zaak te beslissen stelt een termijn vast waarbinnen de zaak overeenkomstig lid 1 bij de gerechten van de andere lidstaat aanhangig moet worden gemaakt.
Wordt de zaak niet binnen deze termijn aanhangig gemaakt, dan blijft het gerecht waarbij de zaak aanvankelijk aanhangig is gemaakt de bevoegdheid overeenkomstig de artikelen 8 tot en met 14 uitoefenen.
5. De gerechten van de andere lidstaat kunnen, wanneer dit, gelet op de specifieke omstandigheden van de zaak, in het belang van het kind is, binnen zes weken nadat de zaak op grond van lid 1, onder a) of b), bij hen aanhangig is gemaakt, de bevoegdheid aanvaarden. Het gerecht waarbij de zaak het eerst was aangebracht, ziet in dit geval af van het uitoefenen van zijn bevoegdheid. In het andere geval blijft het gerecht waarbij de zaak het eerst was aangebracht, zijn bevoegdheid overeenkomstig de artikelen 8 tot en met 14 uitoefenen.
6. Voor de toepassing van dit artikel zijn de gerechten gehouden hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de overeenkomstig artikel 53 aangewezen centrale autoriteiten, samen te werken.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Zeeland-West-Brabant 14 juli 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:7702
- Rb. Rotterdam 17 januari 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:1953
- Rb. Rotterdam 17 februari 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:1545
- Rb. Limburg 3 maart 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:2160
- Rb. Limburg 21 december 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:10672
- Rb. Den Haag 11 augustus 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:10715
- Hof 's-Hertogenbosch 11 oktober 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BU8436
- Hof 's-Gravenhage 19 december 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BY6878
- Hof 's-Gravenhage 7 oktober 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BK3091
- Hof 's-Gravenhage 22 februari 2006, ECLI:NL:GHSGR:2006:AV2662
- Hof Arnhem-Leeuwarden 28 juli 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:5726
- Hof Amsterdam 27 juli 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:2383
- Hof Amsterdam 19 juli 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BT7148