Art. 71, Facultatieve overgangsperiode

1. Indien de specifieke landbouwomstandigheden dit rechtvaardigen mag een lidstaat tot uiterlijk 1 augustus 2004 besluiten de bedrijfstoeslagregeling toe te passen na een overgangsperiode die op 31.12.2005 of 31.12.2006 afloopt.

Indien de betrokken lidstaat besluit de bedrijfstoeslagregeling voor het eind van de overgangsperiode toe te passen, besluit hij daartoe ten laatste op 1 augustus van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor de bedrijftoeslagregeling zal gelden.

2. Onverminderd het bepaalde in artikel 70, lid 2, past de betrokken lidstaat gedurende de overgangsperiode de betrokken lidstaat de in bijlage VI genoemde rechtstreekse betalingen toe onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in respectievelijk Titel IV, hoofdstukken 3, 6 en 7 tot en met 13 van onderhavige verordening, artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 2019/93, artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1452/2001, artikel 13 en artikel 22, de leden 2 tot en met 4 van Verordening (EG) nr. 1453/2001 en artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1454/2001, binnen de limiet van de begrotingsmaxima die overeenkomt met het aandeel van deze rechtstreekse betalingen in het in artikel 41 bedoelde nationale maximum, vastgesteld door de Commissie volgens de in artikel 144, lid 2, bedoelde procedure voor elk van de rechtstreekse betalingen.

In het geval van betalingen voor gedroogde voedergewassen verlenen de lidstaten steun op voorwaarden die moeten worden vastgesteld volgens de in artikel 144, lid 2, bedoelde procedure binnen de eerder genoemde begrotingslimieten.

3. De bedrijfstoeslagregeling geldt op 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de overgangsperiode is verstreken.

In dit geval neemt de betrokken lidstaat het in de artikelen 58, lid 1, 63, lid 3, 64, lid 1, en 70 bedoelde besluit uiterlijk op 1 augustus 2005 of 2006, afhankelijk van de volgens lid 1 vastgestelde termijn.

4. Volgens de in artikel 144, lid 2, bedoelde procedure neemt de Commissie de nodige maatregelen indien de toepassing van deze overgangsperiode leidt tot ernstige concurrentieverstoring op de communautaire markt en om ervoor te zorgen dat de internationale verplichtingen van de Gemeenschap worden nagekomen.

Uitspraken die dit artikel aanhalen