Art. 6 Richtlijn 2003/125/EG, Aanvullende verplichtingen met betrekking tot de bekendmaking van belangen en belangenconflicten

Richtlijn 2003/125/EG

1. Behoudens de in artikel 5 neergelegde verplichtingen schrijven de lidstaten voor dat in elke aanbeveling die wordt uitgebracht door een onafhankelijke analist, een beleggingsonderneming, een kredietinstelling, een met hen gelieerde rechtspersoon of een andere betrokken persoon wiens hoofdbedrijf het uitbrengen van aanbevelingen is, de volgende informatie over hun belangen en belangenconflicten duidelijk en opvallend moet worden vermeld:

a) aanzienlijke onderlinge deelnemingen tussen de betrokken persoon of een met hem gelieerde rechtspersoon enerzijds en de emittent anderzijds. Deze aanzienlijke onderlinge deelnemingen omvatten ten minste de volgende gevallen:

- de betrokken persoon of een met hem gelieerde rechtspersoon bezit meer dan 5 % van het volledige geplaatste aandelenkapitaal van de emittent; of

- de emittent bezit meer dan 5 % van het volledige geplaatste aandelenkapitaal van de betrokken persoon of een met hem gelieerde rechtspersoon.

De lidstaten kunnen lagere drempels vaststellen dan de in beide bovenstaande gevallen gespecificeerde drempel van 5 %;

b) andere wezenlijke financiële belangen van de betrokken persoon of een met hem gelieerde rechtspersoon ten aanzien van de emittent;

c) in voorkomend geval, dat de betrokken persoon of een met hem gelieerde rechtspersoon als market maker of liquiditeitsverschaffer in de financiële instrumenten van de emittent optreedt;

d) in voorkomend geval, dat de betrokken persoon of een met hem gelieerde rechtspersoon tijdens de voorafgaande twaalf maanden als lead manager of co-lead manager is opgetreden bij een openbaar gemaakte aanbieding van financiële instrumenten van de emittent;

e) in voorkomend geval, dat de betrokken persoon of een met hem gelieerde rechtspersoon partij is bij enigerlei andere overeenkomst met de emittent betreffende het verrichten van zakenbankdiensten, mits dit evenwel niet leidt tot de openbaarmaking van vertrouwelijke commerciële informatie en de overeenkomst de voorafgaande twaalf maanden van kracht was of tijdens dezelfde periode aanleiding heeft gegeven tot de betaling van een vergoeding of tot de belofte dat een vergoeding zou worden betaald;

f) in voorkomend geval, dat de betrokken persoon of een met hem gelieerde rechtspersoon partij is bij een overeenkomst met de emittent betreffende het uitbrengen van de aanbeveling.

2. De lidstaten schrijven voor dat de binnen de beleggingsonderneming of kredietinstelling getroffen effectieve organisatorische en administratieve regelingen om belangenconflicten ten aanzien van aanbevelingen te voorkomen en te vermijden, met inbegrip van informatiescheidingen, in algemene bewoordingen openbaar moeten worden gemaakt.

3. De lidstaten schrijven voor dat voor natuurlijke of rechtspersonen die in het kader van een arbeidsovereenkomst of anderszins voor een beleggingsonderneming of een kredietinstelling werkzaam zijn en die bij het opstellen van de aanbeveling betrokken waren, de in artikel 5, lid 1, tweede alinea, neergelegde verplichting met name de bekendmaking omvat van het feit of de beloning van die personen gekoppeld is aan door de beleggingsonderneming, de kredietinstelling of een met hen gelieerde rechtspersoon verrichte zakenbanktransacties.

Wanneer deze natuurlijke personen aandelen van emittenten ontvangen of verwerven voordat deze aandelen aan het publiek worden aangeboden, moeten ook de koers waartegen de aandelen zijn verworven en de verwervingsdatum worden bekendgemaakt.

4. De lidstaten schrijven voor dat beleggingsondernemingen en kredietinstellingen driemaandelijks het aandeel van de aanbevelingen om "te kopen", "aan te houden", "te verkopen" of gelijkwaardige formuleringen voor aanbevelingen in hun totale aantal aanbevelingen openbaar moeten maken, alsook het aandeel van de onder elk van deze categorieën vallende emittenten voor wie de beleggingsonderneming of kredietinstelling tijdens de voorafgaande twaalf maanden belangrijke zakenbankdiensten heeft verricht.

5. De lidstaten dragen er zorg voor dat de aanbeveling zelf de bij de leden 1 tot en met 4 voorgeschreven informatie bevat. Wanneer de in de leden 1 tot en met 4 neergelegde verplichtingen onevenredig zijn in verhouding tot de lengte van de verspreide aanbeveling, kan ermee worden volstaan in de aanbeveling zelf een duidelijke en opvallende verwijzing op te nemen naar de plaats waar de informatie direct en gemakkelijk toegankelijk is voor het publiek, zoals een directe internetlink naar de informatie op een passende internetsite van de beleggingsonderneming of kredietinstelling.

6. De lidstaten dragen er zorg voor dat er geschikte regelgeving van toepassing is om te waarborgen dat, in het geval van niet-schriftelijke aanbevelingen, de in lid 1 neergelegde verplichtingen zodanig worden aangepast dat zij niet onevenredig zijn.

Vorige artikelen

Volgende artikelen