Art. 11 Richtlijn 2003/48/EG, Bronbelasting
1. Indien de uiteindelijk gerechtigde van de rente woonachtig is in een andere lidstaat dan die waar de uitbetalende instantie is gevestigd, heffen België, Luxemburg en Oostenrijk gedurende de in artikel 10 bedoelde overgangsperiode bronbelasting, gedurende de eerste drie jaar van de overgangsperiode tegen een tarief van 15 %, gedurende de volgende drie jaar tegen een tarief van 20 %, en daarna tegen een tarief van 35 %.
2. De uitbetalende instantie houdt de bronbelasting op de volgende wijze in:
a) in het geval van een rentebetaling in de zin van artikel 6, lid 1, onder a): op de uitbetaalde of bijgeschreven rente;
b) in het geval van een rentebetaling in de zin van artikel 6, lid 1, onder b) of d): op het bedrag van de rente of inkomsten als bedoeld onder die punten, of door een heffing van vergelijkbare omvang, ten laste van de ontvanger, op het totaalbedrag van de opbrengst van de verkoop, terugbetaling of aflossing;
c) in het geval van een rentebetaling in de zin van artikel 6, lid 1, onder c): op het bedrag van de inkomsten als bedoeld onder dat punt;
d) in het geval van een rentebetaling in de zin van artikel 6, lid 4: op het rentebedrag dat toevalt aan elk van de leden van de in artikel 4, lid 2, bedoelde entiteit die voldoen aan de voorwaarden van artikel 1, lid 1, en artikel 2, lid 1;
e) wanneer een lidstaat van de keuzemogelijkheid van artikel 6, lid 5, gebruikmaakt: op het bedrag van de op jaarbasis berekende rente.
3. Voor de toepassing van het bepaalde in lid 2, onder a) en b), wordt de bronbelasting geheven naar rata van de periode dat de uiteindelijk gerechtigde houder van de schuldvordering was. Ingeval de uitbetalende instantie die periode niet kan vaststellen met de informatie waarover zij beschikt, gaat zij ervan uit dat de uiteindelijk gerechtigde over de gehele periode dat de vordering heeft bestaan, de houder ervan is geweest, tenzij hij de datum van verkrijging aantoont.
4. Het opleggen van bronbelasting door de lidstaat van de uitbetalende instantie belet de fiscale woonstaat van de uiteindelijk gerechtigde niet de inkomsten te belasten overeenkomstig het nationale recht en met inachtneming van het Verdrag.
5. Tijdens de overgangsperiode kunnen de lidstaten die bronbelasting heffen, bepalen dat een marktdeelnemer die rente uitbetaalt of een rentebetaling bewerkstelligt voor een in een andere lidstaat gevestigde entiteit als bedoeld in artikel 4, lid 2, wordt aangemerkt als de uitbetalende instantie in plaats van de entiteit, en heffen zij de bronbelasting op die rente, tenzij de entiteit formeel heeft aanvaard dat haar naam en adres alsmede het totale bedrag van de rentebetaling die aan haar is verricht of voor haar is bewerkstelligd, worden meegedeeld overeenkomstig de laatste alinea van artikel 4, lid 2.