Art. 6 Richtlijn 2003/48/EG, Definitie van rentebetaling
1. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder "rentebetaling" verstaan:
a) rente, uitbetaald of bijgeschreven op een rekening, die is terug te voeren op enigerlei schuldvordering, al dan niet gedekt door hypotheek of voorzien van een winstdelingsclausule, en met name de opbrengsten van overheidspapier en obligatieleningen, inclusief daaraan gehechte premies en prijzen; boete voor te late betaling wordt niet als rentebetaling aangemerkt;
b) rente die is aangegroeid of gekapitaliseerd op het moment van de verkoop, terugbetaling of aflossing van de onder a) bedoelde schuldvorderingen;
c) inkomsten uit rentebetalingen als bedoeld onder a) en b), hetzij rechtstreeks, hetzij via een entiteit als bedoeld in artikel 4, lid 2, uitgekeerd door:
i) icbe's waaraan vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 85/611/EEG,
ii) entiteiten die gebruik mogen maken van de keuzemogelijkheid van artikel 4, lid 3, en
iii) instellingen voor collectieve belegging die buiten het in artikel 7 bedoelde grondgebied zijn gevestigd;
d) inkomsten die zijn gerealiseerd bij de verkoop, terugbetaling of aflossing van aandelen of bewijzen van deelneming in de volgende instellingen en entiteiten, indien deze rechtstreeks of middellijk via andere hierna bedoelde instellingen voor collectieve belegging of entiteiten meer dan 40 % van hun vermogen beleggen in de onder a) bedoelde schuldvorderingen:
i) icbe's waaraan vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 85/611/EEG,
ii) entiteiten die gebruik mogen maken van de keuzemogelijkheid van artikel 4, lid 3,
iii) instellingen voor collectieve belegging die buiten het in artikel 7 bedoelde grondgebied zijn gevestigd.
De lidstaten beschikken echter slechts over de mogelijkheid de inkomsten vermeld onder d) onder de definitie van rente te laten vallen voorzover deze inkomsten rechtstreeks of middellijk afkomstig zijn van rentebetalingen in de zin van de punten a) en b).
2. Wat betreft lid 1, onder c) en d), wordt, indien een uitbetalende instantie geen informatie heeft over het deel van de inkomsten dat voortkomt uit rentebetalingen, het volledige bedrag aan inkomsten als rentebetaling aangemerkt.
3. Wat betreft lid 1, onder d), wordt, indien een uitbetalende instantie geen informatie heeft over het percentage van het vermogen dat is belegd in schuldvorderingen of in aandelen of bewijzen van deelneming als omschreven onder dat punt, dat percentage geacht meer dan 40 % te bedragen. Indien zij het bedrag van de door de uiteindelijk gerechtigde gerealiseerde inkomsten niet kan bepalen, worden de inkomsten geacht de opbrengst van de verkoop, aflossing of terugbetaling van de aandelen of bewijzen van deelneming te zijn.
4. Indien rente als omschreven in lid 1 wordt uitbetaald aan, of bijgeschreven op een rekening op naam van een entiteit als bedoeld in artikel 4, lid 2, en deze entiteit geen gebruik mag maken van de keuzemogelijkheid van artikel 4, lid 3, wordt de uitbetaalde of bijgeschreven rente aangemerkt als een door deze entiteit verrichte rentebetaling.
5. Wat betreft lid 1, onder b) en d), kunnen lidstaten op hun grondgebied gevestigde uitbetalende instanties ertoe verplichten om de rente over een periode van ten hoogste één jaar op jaarbasis te berekenen en kunnen zij deze geannualiseerde rente als een rentebetaling beschouwen, zelfs als tijdens die periode geen verkoop, terugbetaling of aflossing heeft plaatsgevonden.
6. In afwijking van lid 1, onder c) en d), kunnen de lidstaten de in die bepalingen bedoelde inkomsten die afkomstig zijn van op hun grondgebied gevestigde instellingen of entiteiten, van de definitie van rentebetaling uitsluiten wanneer beleggingen in schuldvorderingen als bedoeld in lid 1, onder a), niet meer dan 15 % van het vermogen van de desbetreffende entiteiten uitmaken. Evenzeer kunnen de lidstaten, in afwijking van lid 4, besluiten om van de definitie van rentebetaling in lid 1, uit te sluiten de rente die is uitbetaald aan, of bijgeschreven op een rekening van een entiteit als bedoeld in artikel 4, lid 2, die geen gebruik mag maken van de keuzemogelijkheid van artikel 4, lid 3, en die op hun grondgebied is gevestigd, wanneer de beleggingen van deze entiteiten in schuldvorderingen als bedoeld in lid 1, onder a), niet meer dan 15 % van hun vermogen uitmaken.
Indien een lidstaat gebruik maakt van deze keuzemogelijkheid, is dit voor de andere lidstaten bindend.
7. Het percentage als bedoeld in lid 1, onder d), en in lid 3 wordt vanaf 1 januari 2011 25 %.
8. De in lid 1, onder d), en in lid 6 bedoelde percentages worden bepaald aan de hand van de beleggingspolitiek zoals die in het fondsreglement of de statuten van de betrokken instellingen of entiteiten is neergelegd en, bij ontstentenis daarvan, op basis van de feitelijke samenstelling van de beleggingsportefeuille van de instellingen of entiteiten.