Art. 9 Richtlijn 2003/41/EG, Voorwaarden voor de uitvoering van de werkzaamheden

Richtlijn 2003/41/EG

1. Met betrekking tot alle op hun grondgebied gevestigde instellingen zorgt iedere lidstaat ervoor dat:

a) de instelling door de bevoegde toezichthoudende instantie in een nationaal register is ingeschreven of over een vergunning beschikt; bij grensoverschrijdende activiteiten in de zin van artikel 20 worden daarbij ook de lidstaten waar de instelling werkzaam is, vermeld;

b) de instelling daadwerkelijk wordt bestuurd door personen van goede reputatie die zelf over voldoende beroepskwalificaties en beroepservaring beschikken of adviseurs in dienst hebben met toepasselijke beroepskwalificaties en beroepservaring;

c) er naar behoren vastgestelde regels bestaan betreffende de werking van iedere door de instelling uitgevoerde pensioenregeling en dat de deelnemers naar behoren van die regels in kennis zijn gesteld;

d) alle technische voorzieningen door een actuaris, of anders door een andere deskundige op dit gebied, waaronder een accountant, zijn berekend en gewaarmerkt overeenkomstig de nationale wetgeving, op basis van door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst erkende actuariële methoden;

e) de bijdragende onderneming bij regelingen waarin zij garant staat voor de betaling van de pensioenuitkeringen, tot regelmatige financiële bijdragen verplicht is;

f) de deelnemers voldoende over de voorwaarden van de pensioenregeling worden ingelicht, en met name over:

i) de rechten en plichten van de partijen betrokken bij de pensioenregeling;

ii) de financiële, technische en andere aan de pensioenregeling verbonden risico's;

iii) de aard en spreiding van die risico's.

2. Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel en met inachtneming van de omvang van de pensioenvoorzieningen die de socialezekerheidsstelsels bieden kunnen de lidstaten bepalen dat de facultatieve kwestie van de dekking van het hogeleeftijdsrisico en van arbeidsongeschiktheid, de voorzieningen voor nabestaanden en de garantie van terugbetaling van bijdragen als bijkomende voorzieningen worden aangeboden aan de deelnemers als de werkgevers en werknemers, dan wel hun respectieve vertegenwoordigers, zulks overeenkomen.

3. Een lidstaat kan aan de voorwaarden van bedrijfsvoering van een op zijn grondgebied gevestigde instelling andere eisen stellen om ervoor te zorgen dat de belangen van de deelnemers en de pensioengerechtigden adequaat worden beschermd.

4. Een lidstaat kan op zijn grondgebied gevestigde instellingen toestaan of van hen verlangen dat zij de uitvoering van deze instellingen geheel of ten dele toevertrouwen aan andere lichamen die handelen in naam van die instellingen.

5. Bij grensoverschrijdende activiteiten als bedoeld in artikel 20 worden de voorwaarden van bedrijfsvoering van de instelling onderworpen aan de voorafgaande verlening van een vergunning door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst.

Uitspraken die dit artikel aanhalen

Vorige artikelen

Volgende artikelen