Art. 14 Richtlijn 2003/41/EG, Interventiebevoegdheden en taken van de bevoegde autoriteiten

Richtlijn 2003/41/EG

1. De bevoegde autoriteiten eisen dat er in iedere op hun grondgebied gevestigde instelling goede administratieve en boekhoudkundige procedures en adequate interne controlemechanismen bestaan.

2. De bevoegde autoriteiten hebben de bevoegdheid om met betrekking tot iedere op hun grondgebied gevestigde instelling of jegens de personen die deze instelling besturen alle maatregelen te nemen, waaronder, waar passend, maatregelen van bestuursrechtelijke en geldelijke aard, die geschikt en noodzakelijk zijn om eventuele onregelmatigheden die de belangen van de deelnemers en de pensioengerechtigden kunnen schaden, te voorkomen of ongedaan te maken.

Zij kunnen tevens de vrije beschikking over de activa van de instelling beperken of verbieden, met name wanneer de instelling:

a) geen toereikende technische voorzieningen heeft gevormd met betrekking tot het geheel van haar werkzaamheden, dan wel onvoldoende activa heeft om de technische voorzieningen te dekken;

b) er niet in is geslaagd het voorgeschreven eigen vermogen in stand te houden.

3. De bevoegde autoriteiten kunnen, teneinde de belangen van de deelnemers aan en de pensioengerechtigden van een regeling te beschermen, de bevoegdheden waarover de personen die een op haar grondgebied gevestigde instelling besturen, overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat van herkomst beschikken, geheel of gedeeltelijk overdragen aan een bijzondere vertegenwoordiger die geschikt is om deze bevoegdheden uit te oefenen.

4. De bevoegde autoriteiten kunnen de activiteiten van een op haar grondgebied gevestigde instelling verbieden of beperken, met name indien:

a) de instelling de belangen van de deelnemers aan en de pensioengerechtigden van de regeling niet afdoende beschermt;

b) de instelling niet langer aan de voorwaarden voor de verrichting van de werkzaamheden voldoet;

c) de instelling ernstig in gebreke blijft bij het voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de op haar van toepassing zijnde voorschriften;

d) de instelling, in geval van grensoverschrijdende activiteiten, de vereisten inzake arbeidsrecht en sociaal recht van de betrokken lidstaat van ontvangst op het gebied van bedrijfspensioenen niet in acht neemt.

Een eventueel besluit om activiteiten van een instelling te verbieden wordt nauwkeurig met redenen omkleed en de betrokken instelling wordt hiervan in kennis gesteld.

5. De lidstaten dragen er zorg voor dat tegen besluiten ten aanzien van instellingen die worden genomen op grond van overeenkomstig deze richtlijn vastgestelde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, beroep op de rechter openstaat.

Vorige artikelen

Volgende artikelen