Art. 11 Richtlijn 2003/37/EG, Onverenigbaarheid van voertuigen, systemen, onderdelen of afzonderlijke technische eenheden
In het geval van voertuigen, systemen, onderdelen of afzonderlijke technische eenheden waarin technologieën of concepten zijn toegepast die niet aan één of meer vereisten van één of meer bijzondere richtlijnen voldoen,
a) kan de lidstaat een voorlopige EG-typegoedkeuring verlenen. In dat geval doet de lidstaat binnen een maand een kopie van het goedkeuringsformulier met de bijbehorende bijlagen aan de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten en aan de Commissie toekomen. Tezelfdertijd dient hij bij de Commissie een verzoek in om een EG-typegoedkeuring overeenkomstig deze richtlijn te mogen verlenen.
Het verzoek moet vergezeld gaan van een dossier met de volgende elementen:
i) de redenen waarom de desbetreffende technologieën of concepten maken dat het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid niet aan de voorschriften van één of meer toepasselijke bijzondere richtlijnen kan voldoen;
ii) een beschrijving van de desbetreffende veiligheids-, milieubeschermings- of arbeidsveiligheidsaspecten en van de genomen maatregelen;
iii) een beschrijving van de tests en testresultaten, waaruit blijkt dat het veiligheids-, milieubeschermings- en arbeidsveiligheidsniveau ten minste even hoog zijn als dat wat door de voorschriften van één of meer toepasselijke bijzondere richtlijnen wordt geboden;
b) legt de Commissie binnen drie maanden na ontvangst van het volledige dossier een ontwerp-beschikking voor aan het in artikel 20, lid 1, bedoelde comité. Volgens de procedure van artikel 20, lid 2, besluit de Commissie of de lidstaat al dan niet een EG-typegoedkeuring overeenkomstig deze richtlijn mag verlenen.
Alleen het verzoek om EG-typegoedkeuring te mogen verlenen en de ontwerp-beschikking worden aan de lidstaten in hun nationale taal of talen toegezonden;
c) mag de lidstaat, indien het verzoek wordt ingewilligd, een EG-typegoedkeuring verlenen overeenkomstig deze richtlijn. In dat geval moet in de beschikking ook worden aangegeven of er aan de geldigheid ervan beperkingen moeten worden gesteld. In geen geval mag de geldigheidsduur van de EG-typegoedkeuring minder dan 36 maanden bedragen;
d) zetten de lidstaten, wanneer de bijzondere richtlijnen zodanig aan de technische vooruitgang zijn aangepast dat de voertuigen, systemen, onderdelen of afzonderlijke technische eenheden waarvoor krachtens de bepalingen van dit artikel goedkeuring is verleend, aan de gewijzigde richtlijnen voldoen, dergelijke goedkeuringen om in EG-typegoedkeuringen overeenkomstig deze richtlijn en laten zij de nodige tijd om de onderdelen of afzonderlijke technische eenheden aan te passen en met name elke verwijzing naar beperkingen of vrijstellingen te schrappen;
e) kan, indien de nodige maatregelen tot aanpassing van de bijzondere richtlijnen niet zijn genomen, de geldigheidsduur van krachtens de bepalingen van dit artikel verleende EG-typegoedkeuringen op verzoek van de lidstaat die de goedkeuring had verleend, bij een andere beschikking van de Commissie worden verlengd;
f) kan een vrijstelling die voor het eerst in het kader van dit artikel is toegestaan, door het in artikel 20, lid 1, genoemde comité worden aangevoerd als precedent voor andere, gelijkluidende verzoeken.