Art. 11 Verordening (EG) nr. 2371/2002, Aanpassing van de vangstcapaciteit

Verordening (EG) nr. 2371/2002

1. De lidstaten nemen maatregelen ter aanpassing van de vangstcapaciteit van hun vloten met het doel een stabiel en permanent evenwicht tussen die vangstcapaciteit en hun vangstmogelijkheden te bewerkstelligen.

2. De lidstaten dragen er zorg voor dat de in artikel 12 en lid 4 van dit artikel bedoelde referentieniveaus, uitgedrukt in GT en kW, voor de vangstcapaciteit niet worden overschreden.

3. Er mag geen vaartuig met overheidssteun aan de vloot worden onttrokken tenzij de visvergunning zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 3690/93 van de Raad(10) en, in voorkomend geval, de machtigingen tot vissenzoals gedefinieerd in de desbetreffende verordeningen van tevoren zijn ingetrokken. De capaciteit die overeenkomt met de vergunning en, zo nodig, met de machtigingen tot vissen voor de betrokken takken van visserij, kan niet worden vervangen.

4. Indien overheidssteun wordt verleend voor intrekkingen van vangstcapaciteit die verdergaan dan de capaciteitsverlaging die nodig is om de in artikel 12, lid 1, bedoelde referentieniveaus in acht te nemen, wordt de ingetrokken hoeveelheid capaciteit automatisch van de referentieniveaus afgetrokken. De aldus verkregen referentieniveaus worden de nieuwe referentieniveaus.

5. De tonnage van vissersvaartuigen van 5 jaar en ouder mag toenemen door modernisering in verband met het hoofddek ter verbetering van de veiligheid aan boord, arbeidsomstandigheden, hygiëne en productkwaliteit, op voorwaarde dat de vangstcapaciteit van het vaartuig daardoor niet toeneemt. De overeenkomstig dit artikel en artikel 12 vastgestelde referentieniveaus worden daaraan aangepast. Met de corresponderende capaciteit hoeft geen rekening gehouden te worden als de lidstaten overeenkomstig artikel 13 de balans van de toevoeging/onttrekking opmaken.

De nadere bepalingen en voorwaarden voor dergelijke maatregelen kunnen volgens de procedure van artikel 30, lid 2, worden vastgesteld.