Art. 24 Verordening (EG) nr. 1774/2002, Afwijkingen met betrekking tot de verwijdering van dierlijke bijproducten

Verordening (EG) nr. 1774/2002

1. Indien nodig kan de bevoegde autoriteit besluiten dat:

a) dode gezelschapsdieren rechtstreeks als afval mogen worden verwijderd door begraving;

b) de volgende dierlijke bijproducten in een afgelegen gebied als afval mogen worden verwijderd door verbranding of begraving ter plaatse:

i) het in artikel 4, lid 1, punt b), onder ii), bedoelde categorie 1-materiaal,

ii) categorie 2-materiaal, en

iii) categorie 3-materiaal; en

c) dierlijke bijproducten als afval mogen worden verwijderd door verbranding of begraving ter plaatse in geval van het uitbreken van een in lijst A van het Internationaal Bureau voor besmettelijke veeziekten (OIE) genoemde ziekte, indien de bevoegde autoriteit vervoer naar de dichtstbijzijnde verbrandings- of verwerkingsinstallatie afwijst wegens het gevaar voor verbreiding van de gezondheidsrisico's of omdat de capaciteit van die installaties ontoereikend is, doordat er een epizoötie uitgebroken is, die zich wijd verbreid heeft.

2. Er mogen geen afwijkingen worden toegestaan voor het in artikel 4, lid 1, punt a), onder i), bedoelde categorie 1-materiaal.

3. Met betrekking tot het in artikel 4, lid 1, punt b), onder ii), bedoelde categorie 1-materiaal mag verbranding of begraving overeenkomstig lid 1, punt b) of c), alleen plaatsvinden indien de bevoegde autoriteit toestemming geeft en toezicht houdt op de gebruikte methode en ervan overtuigd is dat ieder risico van overbrenging van een TSE is uitgesloten.

4. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van:

a) het gebruik dat zij maken van de door lid 1, punt b), geboden mogelijkheden met betrekking tot categorie 1- en categorie 2-materiaal; en

b) de gebieden die zij met het oog op de toepassing van lid 1, onder b), indelen als afgelegen gebied en de redenen voor die indeling.

5. De bevoegde autoriteit neemt de nodige maatregelen om

a) ervoor te zorgen dat het verbranden of begraven van dierlijke bijproducten geen gevaar oplevert voor de gezondheid van mens of dier, en

b) het sluikstorten, dumpen of ongecontroleerd verwijderen van dierlijke bijproducten te voorkomen.

6. Volgens de procedure van artikel 33, lid 2, kunnen uitvoeringsbepalingen voor dit artikel worden vastgesteld.