Art. 23, Afwijkingen met betrekking tot het gebruik van dierlijke bijproducten
1. De lidstaten kunnen, op voorwaarde dat toezicht wordt gehouden door de bevoegde autoriteiten, toestemming verlenen om:
a) dierlijke bijproducten te gebruiken voor diagnose, onderwijs en onderzoek; en
b) dierlijke bijproducten te gebruiken voor taxidermie in technische bedrijven die hiertoe overeenkomstig artikel 18 zijn erkend.
2. a) De lidstaten kunnen eveneens toestemming verlenen voor het gebruik van de onder b) genoemde dierlijke bijproducten voor het voederen van de onder c) genoemde dieren, op voorwaarde dat er toezicht wordt gehouden door de bevoegde autoriteiten en de in bijlage IX vastgestelde eisen worden nageleefd.
b) De onder a) bedoelde dierlijke bijproducten zijn:
i) categorie 2-materiaal dat afkomstig is van dieren die niet zijn gedood of gestorven in verband met de aanwezigheid of vermoede aanwezigheid van een op mens of dier overdraagbare ziekte, en
ii) categorie 3-materiaal genoemd in artikel 6, lid 1, onder a) tot en met j), en, onder voorbehoud van artikel 22, in artikel 6, lid 1, onder l).
c) De onder a) bedoelde dieren zijn:
i) dieren in dierentuinen,
ii) circusdieren,
iii) andere reptielen en roofvogels dan dieren in dierentuinen of circussen,
iv) pelsdieren,
v) wilde dieren waarvan het vlees niet voor menselijke consumptie bestemd is,
vi) honden in erkende kennels of honden voor de drijfjacht die deel uitmaken van een erkende jachthondenmeute, en
vii) maden voor gebruik als visaas.
d) Bovendien mogen de lidstaten, onder toezicht van de bevoegde autoriteiten, het gebruik van het in artikel 4, lid 1, punt b), onder ii), bedoelde categorie 1-materiaal toestaan voor het voederen van met uitsterven bedreigde of beschermde aasetende vogelsoorten overeenkomstig de volgens de procedure van artikel 33, lid 2, vastgestelde voorschriften na raadpleging van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid.
3. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van:
a) het gebruik dat wordt gemaakt van de in lid 2 bedoelde afwijkingen; en
b) de controlemaatregelen die worden ingevoerd om te waarborgen dat de betrokken dierlijke bijproducten uitsluitend worden gebruikt voor het toegestane doel.
4. Iedere lidstaat stelt een lijst samen van krachtens lid 2, letter c), onder iv), vi) en vii), gemachtigde en geregistreerde gebruikers en verzamelcentra op zijn grondgebied. Iedere gebruiker en ieder verzamelcentrum krijgt een officieel nummer met het oog op inspectie en om de oorsprong van de betrokken producten te kunnen traceren.
Het toezicht op de bedrijfsruimten van de in de vorige alinea genoemde gebruikers en verzamelcentra wordt verricht door de bevoegde autoriteit, die te allen tijde vrije toegang heeft tot alle delen van de ruimten, teneinde de naleving van de bepalingen in lid 2 te waarborgen.
Indien uit de inspectie blijkt dat niet aan die bepalingen wordt voldaan, neemt de bevoegde autoriteit passende maatregelen.
5. Volgens de procedure van artikel 33, lid 2, kunnen uitvoeringsbepalingen inzake controlemaatregelen worden vastgesteld.