Art. 49 Verordening (EG) nr. 445/2002
1. Voor elke lidstaat worden de voor een gegeven begrotingsjaar gedeclareerde uitgaven gefinancierd tot de overeenkomstig artikel 47, lid 1, eerste alinea, onder b), aan de Commissie meegedeelde bedragen die door de op de begroting voor het betrokken begrotingsjaar uitgetrokken kredieten worden gedekt.
2. Wanneer het totale bedrag van de op grond van artikel 47, lid 1, eerste alinea, onder b), meegedeelde ramingen groter is dan het totale bedrag van de op de begroting voor het betrokken begrotingsjaar uitgetrokken middelen, worden de uitgaven voor elke lidstaat gefinancierd tot ten hoogste het bedrag dat bepaald wordt op basis van de verdeelsleutel voor de overeenkomstige jaarlijkse toewijzing zoals aangegeven in Beschikking 1999/659/EG.
Wanneer na deze vermindering kredieten beschikbaar blijven doordat de ramingen van bepaalde lidstaten lager waren dan hun jaarlijkse toewijzing, wordt het overschot over de lidstaten verdeeld in evenredigheid met hun jaarlijkse toewijzing, waarbij erop wordt toegezien dat het in de eerste alinea bedoelde bedrag van de raming voor elke lidstaat niet wordt overschreden. Binnen een maand na de goedkeuring van de begroting voor het betrokken begrotingsjaar deelt de Commissie de lidstaten de aldus aangepaste ramingen mee.
3. Indien de werkelijke uitgaven van een lidstaat voor een begrotingsjaar groter zijn dan de overeenkomstig artikel 47, lid 1, eerste alinea, onder b), meegedeelde bedragen of dan de uit de toepassing van lid 2 van het onderhavige artikel resulterende bedragen, wordt het teveel aan uitgaven in dat begrotingsjaar in aanmerking genomen tot maximaal het bedrag van de kredieten die beschikbaar blijven nadat de uitgaven van de andere lidstaten zijn vergoed, en naar evenredigheid van de vastgestelde overschrijdingen.
4. In het geval waarin de werkelijke uitgaven van een lidstaat voor een begrotingsjaar lager zijn dan 75 % van de in lid 1 bedoelde bedragen, worden de voor het volgende begrotingsjaar te erkennen uitgaven verminderd met een derde van het verschil tussen deze drempel of de uit de toepassing van lid 2 resulterende bedragen wanneer deze lager zijn dan die drempel, en de in de loop van dat begrotingsjaar vastgestelde werkelijke uitgaven.
Met deze vermindering wordt geen rekening gehouden bij de vaststelling van de werkelijke uitgaven in het begrotingsjaar dat volgt op dat waarin de vermindering is toegepast.
5. Lid 4 is niet van toepassing op de eerste in het begrotingsjaar 2000 gedane declaratie van uitgaven uit hoofde van het programmeringsdocument voor plattelandsontwikkeling of van het enkelvoudige programmeringsdocument voor doelstelling 2 wat de door het EOGFL, afdeling Garantie, gefinancierde maatregelen voor plattelandsontwikkeling betreft.