Art. 51 Richtlijn 2002/83/EG, Vergunningbeginselen en -voorwaarden
1. Voor iedere onderneming waarvan het hoofdkantoor buiten de Gemeenschap is gevestigd, stelt elke lidstaat de toegang op zijn grondgebied tot de in artikel 2 bedoelde werkzaamheden afhankelijk van een vergunning.
2. De lidstaat mag een vergunning verlenen, indien de onderneming ten minste aan de volgende voorwaarden voldoet:
a) zij moet bevoegd zijn tot het verrichten van de in artikel 2 bedoelde werkzaamheden krachtens de nationale wetgeving waaronder zij ressorteert;
b) zij moet een agentschap of bijkantoor op het grondgebied van deze lidstaat oprichten;
c) zij moet zich verbinden ter zetel van het agentschap of het bijkantoor een specifieke boekhouding te voeren voor de werkzaamheden die zij aldaar uitoefent en er alle bescheiden met betrekking tot de behandelde zaken te bewaren;
d) zij moet een algemeen gevolmachtigde aanwijzen, die door de bevoegde autoriteit moet worden toegelaten;
e) zij moet in de lidstaat van bedrijfsuitoefening over activa beschikken, welke ten minste de helft van het in artikel 29, lid 2, eerste alinea, voor het garantiefonds aangegeven minimum dienen te bedragen, en een vierde gedeelte van dit minimum bij wijze van waarborg deponeren;
f) zij moet zich verbinden een solvabiliteitsmarge te handhaven overeenkomstig artikel 55;
g) zij moet een programma van werkzaamheden overleggen overeenkomstig lid 3.
3. Het in lid 2, onder g), genoemde programma van werkzaamheden van het agentschap of bijkantoor moet gegevens of bewijsstukken bevatten betreffende:
a) de aard van de verbintenissen die de onderneming voornemens is aan te gaan;
b) de leidende beginselen op het gebied van de herverzekering;
c) de omvang van de solvabiliteitsmarge en van het garantiefonds van de onderneming als bedoeld in artikel 55;
d) de te verwachten inrichtingskosten van de administratieve diensten en van het productienet, alsmede de financiële middelen ter dekking daarvan;
en moet voor de eerste drie boekjaren voorts bevatten:
e) een gedetailleerde prognose van de vermoedelijke uitgaven en ontvangsten, zowel wat de directe verrichtingen en de geaccepteerde herverzekeringen als de overdrachten uit hoofde van herverzekering betreft;
f) een opgave van de te verwachten balanspositie;
g) een raming betreffende de financiële middelen ter dekking van de verbintenissen en van de solvabiliteitsmarge.
4. Een lidstaat mag systematische mededeling eisen van de voor de berekening van de tarieven en de technische voorzieningen gehanteerde technische grondslagen, zonder dat dit vereiste voor een verzekeringsonderneming een voorwaarde vooraf voor de uitoefening van haar werkzaamheden mag vormen.