Art. 52 Richtlijn 2002/83/EG, Regels betreffende bijkantoren van ondernemingen van derde landen
1. a) Behoudens onder b) mogen de in deze titel bedoelde agentschappen en bijkantoren de in de bijlage van Richtlijn 73/239/EEG bedoelde werkzaamheden op het grondgebied van een lidstaat niet gelijktijdig uitoefenen met de onder de onderhavige richtlijn vallende werkzaamheden.
b) Behoudens onder c) mogen de lidstaten bepalen dat de in deze titel bedoelde agentschappen en bijkantoren die op de voor hen geldende datum als bedoeld in artikel 18, lid 3, deze twee werkzaamheden op het grondgebied van een lidstaat gelijktijdig uitoefenden, deze daar kunnen blijven uitoefenen, mits zij overeenkomstig artikel 19 een gescheiden beheer voeren voor elk van deze werkzaamheden.
c) Elke lidstaat die uit hoofde van artikel 18, lid 6, de op zijn grondgebied gevestigde ondernemingen verplicht heeft een einde te maken aan het gelijktijdig uitoefenen van de werkzaamheden die zij op de voor hen geldende datum, bedoeld in artikel 18, lid 3, verrichtten, moet deze verplichting ook opleggen aan de in deze titel bedoelde agentschappen en bijkantoren die op zijn grondgebied zijn gevestigd en aldaar de twee werkzaamheden gelijktijdig uitoefenen.
d) De lidstaten mogen bepalen dat de in deze titel bedoelde agentschappen en bijkantoren waarvan het hoofdkantoor de twee werkzaamheden gelijktijdig uitoefent en die op de voor hen geldende datum, bedoeld in artikel 18, lid 3, op het grondgebied van een lidstaat uitsluitend de in deze richtlijn bedoelde werkzaamheden uitoefenden, hun werkzaamheden kunnen blijven verrichten. Indien de onderneming de in Richtlijn 73/239/EEG bedoelde werkzaamheden op dit grondgebied wil uitoefenen, mag zij de in deze richtlijn genoemde werkzaamheden nog slechts verrichten via een dochteronderneming.
2. De artikelen 13 en 37 zijn van overeenkomstige toepassing op de in deze titel bedoelde agentschappen en bijkantoren.
Voor de toepassing van artikel 37 wordt de bevoegde autoriteit die de totale solvabiliteit van deze agentschappen of bijkantoren controleert, gelijkgesteld met de bevoegde autoriteit van de lidstaat van het hoofdkantoor.
3. Bij intrekking van de vergunning door de in artikel 56, lid 2, bedoelde autoriteit, stelt deze de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten waar de onderneming werkzaam is, hiervan in kennis; deze autoriteiten treffen de nodige maatregelen. Wanneer het besluit tot intrekking is gebaseerd op de ontoereikendheid van de solvabiliteitsmarge berekend volgens artikel 56, lid 1, onder a), trekken ook de bevoegde autoriteiten van de andere betrokken lidstaten hun vergunning in.