Art. 46 Richtlijn 2002/83/EG, Verzekeringsondernemingen die niet aan de wettelijke voorschriften voldoen

Richtlijn 2002/83/EG

1. Iedere verzekeringsonderneming die in het kader van het recht van vestiging of in het kader van het vrij verrichten van diensten werkzaamheden uitoefent, moet aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van het bijkantoor en/of van de lidstaat van dienstverrichting alle voor de toepassing van dit artikel gevraagde documenten overleggen, voorzover ook de verzekeringsondernemingen die hun hoofdkantoor in deze lidstaten hebben, daartoe zijn gehouden.

2. Indien de bevoegde autoriteiten van een lidstaat vaststellen dat een verzekeringsonderneming die een bijkantoor op het grondgebied van die lidstaat heeft of aldaar in het kader van het vrij verrichten van diensten werkzaam is, zich niet houdt aan de rechtsvoorschriften van die lidstaat die op haar van toepassing zijn, verzoeken zij de betrokken verzekeringsonderneming een einde te maken aan deze onregelmatigheid.

3. Indien de betrokken verzekeringsonderneming niet het nodige doet, stellen de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst hiervan in kennis. Deze laatsten treffen onverwijld alle passende maatregelen opdat de betrokken verzekeringsonderneming een eind maakt aan de onregelmatigheid. De aard van deze maatregelen wordt ter kennis van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat gebracht.

4. Indien de verzekeringsonderneming, ondanks de door de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen, of omdat deze maatregelen ontoereikend zijn of die lidstaat geen maatregelen treft, inbreuk blijft maken op de in de betrokken lidstaat geldende rechtsregels, kan deze laatste, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan op de hoogte te hebben gebracht, passende maatregelen nemen om verdere onregelmatigheden te voorkomen of te beteugelen en, voorzover zulks volstrekt noodzakelijk is, de onderneming te beletten op zijn grondgebied nog nieuwe verzekeringsovereenkomsten te sluiten. De lidstaten zorgen ervoor dat de voor deze maatregelen noodzakelijke kennisgevingen op hun grondgebied mogelijk worden gemaakt.

5. De leden 2, 3 en 4 laten de bevoegdheid van de betrokken lidstaten onverlet om in dringende gevallen passende maatregelen te treffen om inbreuken op hun grondgebied te voorkomen. Zo kunnen zij onder meer een verzekeringsonderneming beletten op hun grondgebied nog nieuwe verzekeringsovereenkomsten te sluiten.

6. De leden 2, 3 en 4 laten de bevoegdheid van de lidstaten onverlet om overtredingen op hun grondgebied te bestraffen.

7. Indien de verzekeringsonderneming die de inbreuk heeft gepleegd, in de betrokken lidstaat een vestiging heeft of er goederen bezit, kunnen de bevoegde autoriteiten van deze lidstaat, overeenkomstig de nationale wetgeving, de voor deze inbreuk vastgestelde administratieve sancties ten uitvoer leggen ten aanzien van deze vestiging of deze goederen.

8. Elke op grond van de leden 3 tot en met 7 genomen maatregel die sancties en beperkingen van de uitoefening van het verzekeringsbedrijf inhoudt, moet met redenen worden omkleed en ter kennis van de betrokken verzekeringsonderneming worden gebracht.

9. De Commissie legt om de twee jaar aan het Comité voor het verzekeringswezen een verslag voor met een overzicht van het aantal en de aard van de gevallen waarin in elke lidstaat in de zin van artikel 40 of van artikel 42 weigering heeft plaatsgevonden of maatregelen zijn genomen overeenkomstig lid 4 van het onderhavige artikel. De lidstaten verlenen aan de Commissie hun medewerking door de nodige informatie te verstrekken voor het opstellen van dat verslag.