Art. 18 Richtlijn 2002/83/EG, Gelijktijdige uitoefening van het levens- en het schadeverzekeringsbedrijf
1. Onverminderd de leden 3 en 7 mag aan geen enkele onderneming tegelijkertijd op grond van deze richtlijn en op grond van Richtlijn 73/239/EEG vergunning worden verleend.
2. In afwijking van lid 1 mogen de lidstaten voorschrijven dat:
- de ondernemingen waaraan op grond van deze richtlijn vergunning is verleend, tevens overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 73/239/EEG een vergunning kunnen krijgen voor de risico's bedoeld in de punten 1 en 2 van de bijlage van die richtlijn;
- de ondernemingen waaraan op grond van artikel 6 van Richtlijn 73/239/EEG, uitsluitend voor de risico's bedoeld in de punten 1 en 2 van de bijlage van die richtlijn, vergunning is verleend, tevens een vergunning kunnen krijgen op grond van de onderhavige richtlijn.
3. Onder voorbehoud van lid 6 mogen de in lid 2 bedoelde ondernemingen en de ondernemingen die op:
- 1 januari 1981, voor ondernemingen waaraan in Griekenland vergunning is verleend,
- 1 januari 1986, voor ondernemingen waaraan in Spanje en Portugal vergunning is verleend,
- 1 januari 1995, voor ondernemingen waaraan in Oostenrijk, Finland en Zweden vergunning is verleend,
- 15 maart 1979, voor alle andere ondernemingen,
de beide werkzaamheden die door de onderhavige richtlijn en door Richtlijn 73/239/EEG worden bestreken, gelijktijdig uitoefenden, zulks blijven doen mits zij overeenkomstig artikel 19 van de onderhavige richtlijn voor elk van die werkzaamheden een gescheiden beheer voeren.
4. De lidstaten mogen voorschrijven dat de in lid 2 bedoelde ondernemingen voor hun gehele bedrijf de boekhoudkundige regels in acht dienen te nemen die voor de op grond van deze richtlijn toegelaten verzekeringsondernemingen gelden. Tevens mogen de lidstaten in afwachting van een latere coördinatie op dit gebied verlangen dat wat betreft de regels inzake liquidatie, ten aanzien van de werkzaamheden betreffende de risico's onder de punten 1 en 2 van de bijlage van Richtlijn 73/239/EEG, die uitgeoefend worden door de in lid 2 vermelde ondernemingen, ook de regels gelden die van toepassing zijn op het levensverzekeringsbedrijf.
5. Wanneer een onderneming die de in de bijlage van Richtlijn 73/239/EEG bedoelde werkzaamheden uitoefent, financiële, commerciële of administratieve banden heeft met een verzekeringsonderneming die de in deze richtlijn bedoelde werkzaamheden uitoefent, zien de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op wier grondgebied zich de hoofdkantoren van deze ondernemingen bevinden, erop toe dat de rekeningen van de betrokken ondernemingen niet worden vervalst ten gevolge van tussen deze ondernemingen gesloten overeenkomsten of door afspraken die de verdeling van de kosten en inkomsten kunnen beïnvloeden.
6. Elke lidstaat kan de verzekeringsondernemingen waarvan het hoofdkantoor op zijn grondgebied is gevestigd, ertoe verplichten binnen de door hem bepaalde termijn een einde te maken aan het gelijktijdig uitoefenen van de werkzaamheden die zij op de in lid 3 genoemde datums verrichtten.
7. De bepalingen van dit artikel worden aan de hand van een verslag van de Commissie aan de Raad, in het licht van de toekomstige harmonisatie van de liquidatievoorschriften, en in elk geval uiterlijk op 31 december 1999, opnieuw onderzocht.