Art. 7 Richtlijn 2002/24/EG

Richtlijn 2002/24/EG

1. Voor ieder overeenkomstig het goedgekeurde type gebouwd voertuig wordt door de fabrikant een certificaat van overeenstemming opgesteld waarvan het model in bijlage IV, deel A, is weergegeven. Ieder voertuig gaat vergezeld van zulk een certificaat. De lidstaten mogen evenwel, na de overige lidstaten en de Commissie hiervan ten minste drie maanden van tevoren in kennis te hebben gesteld, in verband met de heffing van de motorrijtuigenbelasting of de opstelling van het kentekenbewijs verlangen dat andere dan de in bijlage IV, deel A, bedoelde inlichtingen in het certificaat van overeenstemming worden opgenomen, op voorwaarde dat deze uitdrukkelijk in het inlichtingenformulier staan vermeld.

Het certificaat van overeenstemming moet zodanig zijn vervaardigd dat vervalsing wordt voorkomen. Hiertoe wordt het gedrukt op papier, beschermd door een beeldmerk in kleur of een watermerk met het identificatiemerkteken van de voertuigfabrikant.

2. Voor alle niet-oorspronkelijke, overeenkomstig het goedgekeurde type gebouwde technische eenheden of onderdelen wordt door de fabrikant een certificaat van overeenstemming ingevuld, waarvan het model in bijlage IV, deel B, is weergegeven. Dit certificaat is niet vereist voor oorspronkelijke technische eenheden of onderdelen.

3. Wanneer een goed te keuren technische eenheid of onderdeel zijn functie slechts vervult of een bijzonder kenmerk slechts vertoont in combinatie met andere onderdelen van het voertuig en derhalve de overeenstemming met een of meer voorschriften slechts kan worden gecontroleerd indien die technische eenheid of dat onderdeel samen met andere, echte of gesimuleerde, onderdelen van het voertuig functioneert, moet de draagwijdte van de typegoedkeuring van die technische eenheid of dat onderdeel dienovereenkomstig worden beperkt. In de goedkeuringsverklaring voor de technische eenheid of het onderdeel worden dan de eventuele beperkingen van het gebruik en de montagevoorschriften vermeld. Bij de typekeuring van het voertuig wordt nagegaan of deze beperkingen en voorschriften in acht zijn genomen.

4. Onverminderd lid 2 is de houder van een overeenkomstig artikel 4 verleende typegoedkeuring van een technische eenheid of onderdeel verplicht op alle overeenkomstig het goedgekeurde type vervaardigde technische eenheden en onderdelen zijn fabrieks- of handelsmerk, een typeaanduiding, en, indien de bijzondere richtlijn dit voorschrijft, het in artikel 8 bedoelde goedkeuringsmerk aan te brengen. In het laatste geval behoeft hij het in lid 2 bedoelde certificaat niet in te vullen.

5. De houder van een goedkeuringsverklaring voor een technische eenheid of onderdeel waarin overeenkomstig lid 3 beperkingen van het gebruik zijn opgenomen, verstrekt bij alle vervaardigde technische eenheden en onderdelen uitvoerige inlichtingen over die beperkingen en vermeldt de eventuele montagevoorschriften.

6. Iedere houder van een, in verband met een of meer voertuigtypen afgegeven, goedkeuringsverklaring voor een niet-originele technische eenheid verstrekt bij ieder van die technische eenheden uitvoerige inlichtingen aan de hand waarvan die voertuigen geïdentificeerd kunnen worden.