Art. 5, Algemene beginselen met betrekking tot de percelen landbouwgrond

1. Voor de toepassing van deze verordening geldt het volgende:

a) Een perceel met zowel bomen als een in artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 3508/92 bedoeld gewas wordt als een perceel landbouwgrond beschouwd, mits dat gewas kan worden verbouwd onder omstandigheden die vergelijkbaar zijn met die voor percelen zonder bomen in dezelfde regio;

b) Wanneer een voederareaal gezamenlijk wordt gebruikt, verdeelt de bevoegde instantie dit areaal denkbeeldig over de betrokken bedrijfshoofden in verhouding tot de mate waarin zij van dit areaal gebruik maken of in verhouding tot hun recht om dit areaal te gebruiken;

c) Elk voederareaal moet voor het houden van dieren beschikbaar zijn gedurende een periode van ten minste zeven maanden die ingaat op een door de lidstaten vast te stellen datum tussen 1 januari en 31 maart.

2. Wanneer een voederareaal in een andere lidstaat ligt dan die waar zich de agrarische vestigingsplaats van het bedrijfshoofd bevindt, wordt dit areaal op verzoek van het bedrijfshoofd geacht deel uit te maken van zijn bedrijf, op voorwaarde dat:

a) dit areaal zich in de onmiddellijke nabijheid van dit bedrijf bevindt en

b) een belangrijk deel van alle door dit bedrijfshoofd gebruikte landbouwgrond is gelegen in de lidstaat waar zich zijn vestigingsplaats bevindt.

Uitspraken die dit artikel aanhalen