Art. 8 Verordening (EG) nr. 999/2001, Gespecificeerd risicomateriaal

Verordening (EG) nr. 999/2001

1. Gespecificeerd risicomateriaal wordt verwijderd en vernietigd overeenkomstig bijlage V, punten 2, 3, 4 en 8.

Gespecificeerd risicomateriaal of daaruit verkregen verwerkt materiaal mag alleen in de handel worden gebracht of, in voorkomend geval, worden uitgevoerd, met het oog op de uiteindelijke vernietiging ervan overeenkomstig bijlage V, punten 3 en 4, of, indien van toepassing, punt 7 c) of 8. Het mag niet in de Gemeenschap worden ingevoerd. De doorvoer ervan over het grondgebied van de Gemeenschap moet geschieden met inachtneming van artikel 3 van Richtlijn 91/496/EEG.

2. Lid 1 is niet van toepassing op weefsels van dieren die negatief gereageerd hebben op een voor dit specifiek doel volgens de procedure van artikel 24, lid 2, erkende alternatieve test die op een in bijlage X, hoofdstuk C, punt 5, bedoelde lijst staat en volgens de voorwaarden van bijlage V, punt 5, is uitgevoerd.

De lidstaten die een dergelijke alternatieve test toestaan, moeten de andere lidstaten en de Commissie daarvan in kennis stellen.

3. In lidstaten of gebieden daarvan die zijn ingedeeld in categorie 2, 3, 4 of 5 van bijlage II, hoofdstuk C, mag vernietiging van het weefsel van het centrale zenuwstelsel na bedwelming met een lang, staafvormig instrument dat in de schedelholte wordt ingebracht, niet worden toegepast bij runderen, schapen en geiten waarvan het vlees voor menselijke of dierlijke consumptie bestemd is.

4. De in bijlage V vermelde leeftijdsgegevens worden regelmatig aangepast. Deze aanpassing vindt plaats aan de hand van de meest recente en betrouwbare wetenschappelijke inzichten over de statistische kans dat zich in de betrokken leeftijdsgroepen van de communautaire rundvee-, schapen- en geitenpopulatie een geval van TSE voordoet.

5. In afwijking van de leden 1 tot en met 4 kan er volgens de procedure van artikel 24, lid 2, een besluit worden aangenomen over de datum van de daadwerkelijke uitvoering van artikel 7, lid 1, of, in voorkomend geval, in derde landen, de datum van het verbod op het gebruik van van zoogdieren afkomstige eiwitten in de voeding van herkauwers in landen of gebieden daarvan die in categorie 3 of 4 zijn ingedeeld, teneinde de toepassing van dit artikel te beperken tot dieren die daar vóór die datum geboren zijn.

Evenzo kan er in afwijking van de leden 1 tot en met 4, volgens de procedure van artikel 24, lid 2, na raadpleging van het betrokken wetenschappelijk comité, op basis van een beoordeling van het risico van het uitbreken en zich verspreiden van BSE en blootstelling van de mens aan BSE, een besluit aangenomen worden om toe te staan dat de wervelkolom en de ganglia van de achterwortel van runderen verblijvend in of afkomstig uit landen of gebieden die ingedeeld zijn in categorie 5 in levensmiddelen, diervoeders en meststoffen gebruikt worden.

6. De uitvoeringsbepalingen voor dit artikel worden volgens de procedure van artikel 24, lid 2, vastgesteld.

Vorige artikelen

Volgende artikelen