Art. 12 Verordening (EG) nr. 999/2001, Maatregelen met betrekking tot verdachte dieren
1. Een van besmetting met een TSE verdacht dier wordt aan een officiële verplaatsingsbeperking onderworpen in afwachting van het resultaat van een klinisch en epidemiologisch onderzoek door de bevoegde autoriteit, of het wordt gedood om onder officieel toezicht in een laboratorium te worden onderzocht.
Indien bij een rund op een bedrijf in een lidstaat BSE wordt vermoed, geldt voor alle andere runderen op dat bedrijf een officiële verplaatsingsbeperking totdat de resultaten van het onderzoek beschikbaar zijn.
Indien er op grond van objectieve elementen, zoals de resultaten van een test waarmee de verschillende TSE's in de praktijk van elkaar onderscheiden kunnen worden, bij een schaap of een geit op een bedrijf in een lidstaat BSE wordt vermoed, geldt voor alle andere schapen en geiten op dat bedrijf een officiële verplaatsingsbeperking totdat de resultaten van het onderzoek beschikbaar zijn.
Indien uit bewijsmateriaal blijkt dat het bedrijf waarop het dier zich bevond toen er BSE werd vermoed, waarschijnlijk niet het bedrijf is waar het dier aan BSE kon zijn blootgesteld, kan de bevoegde autoriteit beslissen dat alleen het van besmetting verdachte dier aan een officiële verplaatsingsbeperking wordt onderworpen. Indien zij zulks noodzakelijk acht mag de bevoegde autoriteit, afhankelijk van de beschikbare epidemiologische informatie, ook besluiten andere bedrijven, of alleen het bedrijf waar de blootstelling heeft plaatsgevonden, onder officieel toezicht te plaatsen.
Een lidstaat kan in afwijking van de eisen van het tweede, derde en vierde lid van dit artikel, volgens de procedure van artikel 24, lid 2, vrijgesteld worden van de toepassing van maatregelen inzake officiële verplaatsingsbeperkingen indien hij maatregelen toepast die gelijkwaardige garanties bieden.
2. Wanneer de bevoegde autoriteit beslist dat de mogelijkheid van besmetting met een TSE niet kan worden uitgesloten, wordt het dier - indien het nog in leven is - gedood. De hersenen en eventueel alle andere door de bevoegde autoriteit te bepalen weefsels worden verwijderd en opgestuurd naar een officieel erkend laboratorium, het in artikel 19, lid 1, bedoelde nationale referentielaboratorium of het in artikel 19, lid 2, bedoelde communautaire referentielaboratorium, teneinde daar met de in artikel 20 bedoelde onderzoeksmethoden onderzocht te worden.
3. Alle delen van het kadaver van het van besmetting verdachte dier, met inbegrip van de huid, worden onder officieel toezicht bewaard totdat er een negatieve diagnose gesteld is, of worden vernietigd overeenkomstig bijlage V, punt 3 of 4.
4. De uitvoeringsbepalingen voor dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 24, lid 2.