Art. 7, Doorgifte van persoonsgegevens binnen of tussen communautaire instellingen of organen
Onverminderd de artikelen 4, 5, 6 en 10 geldt het volgende:
1. Persoonsgegevens mogen binnen of tussen communautaire instellingen of organen slechts worden doorgegeven indien die gegevens noodzakelijk voor de rechtmatige uitoefening onder de bevoegdheid van de ontvanger begrepen taken zijn.
2. Indien de gegevens op verzoek van de ontvanger worden doorgegeven, zijn zowel de verantwoordelijke voor de verwerking als de ontvanger verantwoordelijk voor de rechtmatigheid van de doorgifte.
De verantwoordelijke voor de verwerking gaat de bevoegdheid van de ontvanger na en geeft een voorlopig oordeel over de noodzaak van de doorgifte van de gegevens. Bij twijfel over de noodzaak vraagt de verantwoordelijke voor de verwerking de ontvanger om nadere toelichting.
De ontvanger draagt er zorg voor dat de noodzaak van de doorgifte van de gegevens achteraf kan worden geverifieerd.
3. De ontvanger verwerkt de persoonsgegevens uitsluitend voor de doeleinden waarvoor ze werden doorgegeven.