Art. 40 Verordening (EG) nr. 1291/2000

Verordening (EG) nr. 1291/2000

1. Indien de invoer of uitvoer niet tijdens de geldigheidsduur van het certificaat kan plaatsvinden ten gevolge van een voorval waarvan de handelaar meent dat het een geval van overmacht is, verzoekt de titularis van het certificaat de bevoegde instantie van de lidstaat van afgifte van het certificaat om hetzij de geldigheidsduur van het certificaat te verlengen, hetzij het certificaat te annuleren. Hij levert het bewijs van de door hem als overmacht beschouwde omstandigheden binnen zes maanden na afloop van de geldigheidsduur van het certificaat.

Indien deze bewijzen niet binnen deze termijn konden worden verschaft hoewel de handelaar zich alle nodige moeite heeft gegeven om deze bewijzen te verkrijgen en over te leggen, kunnen de handelaar extra termijnen worden toegestaan.

2. Een verzoek de geldigheidsduur van het certificaat te verlengen dat meer dan 30 dagen na afloop van de geldigheidsduur van het certificaat wordt ingediend, is niet ontvankelijk.

3. Wordt een als overmacht beschouwde omstandigheid aangevoerd die betrekking heeft op het land van herkomst en/of oorsprong in geval van invoer of op het land van bestemming in geval van uitvoer, dan kan deze omstandigheid slechts als zodanig worden erkend indien de betrokken landen tijdig schriftelijk aan de instantie van afgifte van het certificaat of aan een andere officiële instantie van dezelfde lidstaat zijn opgegeven.

Het land van herkomst, oorsprong of bestemming wordt geacht tijdig te zijn opgegeven indien de aanvrager op het tijdstip van die opgave nog niet kon voorzien dat het aangevoerde geval van overmacht zich zou voordoen.

4. De in lid 1 bedoelde bevoegde instantie beslist of de aangevoerde omstandigheid een geval van overmacht is.

Uitspraken die dit artikel aanhalen