Art. 35 Verordening (EG) nr. 1291/2000
Verordening (EG) nr. 1291/2000
1. Op verzoek van de titularis kunnen de lidstaten de zekerheid in gedeelten vrijgeven naar evenredigheid van de hoeveelheden product waarvoor de in artikel 32 bedoelde bewijzen zijn geleverd en voorzover het bewijs is geleverd dat een hoeveelheid die ten minste gelijk is aan 5 % van de in het certificaat vermelde hoeveelheid is in-, respectievelijk uitgevoerd.
2. Onverminderd de artikelen 40, 41 en 49 wordt, wanneer de verplichting tot invoer, respectievelijk tot uitvoer, niet is nagekomen, de zekerheid verbeurd voor een hoeveelheid die gelijk is aan het verschil tussen:
a) 95 % van de in het certificaat vermelde hoeveelheid, en
b) de daadwerkelijk ingevoerde, respectievelijk uitgevoerde, hoeveelheid.
Wanneer het certificaat per dier is afgegeven, wordt de uitkomst van de berekening van het bovenbedoelde percentage van 95 % in voorkomend geval afgerond op het naaste lagere gehele getal aan dieren.
Indien evenwel de in- of uitgevoerde hoeveelheid minder dan 5 % van de in het certificaat vermelde hoeveelheid bedraagt, wordt de zekerheid volledig verbeurd.
Bovendien geeft de lidstaat de volledige zekerheid vrij indien voor een certificaat het totale bedrag van de zekerheid dat zou zijn verbeurd, 60 EUR of minder bedraagt.
Een zekerheid die ten onrechte volledig of gedeeltelijk is vrijgegeven, moet bij de instantie van afgifte van het certificaat opnieuw worden gesteld naar evenredigheid van de betrokken hoeveelheden.
Om het opnieuw stellen van de vrijgegeven zekerheid kan echter na het verstrijken van een termijn van vier jaar te rekenen vanaf de vrijgave ervan niet langer worden verzocht, mits de handelaar te goeder trouw heeft gehandeld.
3. Voor uitvoercertificaten met vaststelling vooraf van de restitutie geldt het volgende:
- wanneer het certificaat of een uittreksel van het certificaat aan de instantie van afgifte wordt terugbezorgd zolang niet meer dan twee derde van de geldigheidsduur is verstreken, wordt de betrokken verbeurd te verklaren zekerheid met 40 % verminderd. Voor de toepassing hiervan wordt een gedeelte van een dag als volledige dag gerekend;
- wanneer het certificaat of een uittreksel van het certificaat aan de instantie van afgifte wordt terugbezorgd nadat meer dan twee derde van de geldigheidsduur is verstreken, maar uiterlijk gedurende de maand die volgt op de laatste dag van de geldigheidsduur, wordt de betrokken verbeurd te verklaren zekerheid met 25 % verminderd.
Het bepaalde in de voorgaande alinea geldt slechts voor certificaten en uittreksels van certificaten die aan de instantie van afgifte worden terugbezorgd gedurende het GATT-jaar waarin zij zijn afgegeven, waarbij zij bovendien meer dan 30 dagen vóór het einde van dat GATT-jaar moeten worden terugbezorgd.
4. a) - Het in artikel 33, lid 1, onder a) en b), bedoelde bewijs van het gebruik van het certificaat moet, behoudens overmacht, binnen twee maanden na afloop van de geldigheidsduur van het certificaat worden geleverd.
- Het in artikel 33, lid 2, bedoelde bewijs van het verlaten van het douanegebied of van een leverantie met een bestemming als bedoeld in artikel 36 van Verordening (EG) nr. 800/1999 of van plaatsing onder de regeling als bedoeld in artikel 40 van die verordening moet, behoudens overmacht, binnen twaalf maanden na afloop van de geldigheidsduur van het certificaat worden geleverd.
b) De verbeurd te verklaren zekerheid voor de hoeveelheden waarvoor het bewijs in verband met een uitvoercertificaat met vaststelling vooraf van de restitutie niet is geleverd binnen de onder a), eerste streepje, genoemde termijn, wordt, verminderd met:
- 90 % wanneer dit bewijs in de derde maand na de laatste dag van de geldigheidsduur van het certificaat wordt geleverd;
- 50 % wanneer dit bewijs in de vierde maand na de laatste dag van de geldigheidsduur van het certificaat wordt geleverd;
- 30 % wanneer dit bewijs in de vijfde maand na de laatste dag van de geldigheidsduur van het certificaat wordt geleverd;
- 20 % wanneer dit bewijs in de zesde maand na de laatste dag van de geldigheidsduur van het certificaat wordt geleverd.
c) In de andere dan de onder b) bedoelde gevallen is de verbeurd te verklaren zekerheid voor de hoeveelheden waarvoor het bewijs niet is geleverd binnen de onder a) genoemde termijn, maar wel uiterlijk in de vierentwintigste maand na de laatste dag van de geldigheidsduur van het certificaat, gelijk aan 15 % van het bedrag dat definitief zou zijn verbeurd indien de producten niet waren ingevoerd of uitgevoerd; indien voor een bepaald product certificaten zijn afgegeven waarin verschillende zekerheidstarieven zijn vastgesteld, wordt, om het bedrag te berekenen dat verbeurd dient te worden verklaard, het laagste tarief genomen dat bij in-, respectievelijk bij uitvoer gold.
d) De bevoegde autoriteiten kunnen ontheffing verlenen van de verplichting de onder a), eerste en tweede streepje, bedoelde bewijzen te leveren, wanneer zij reeds in het bezit zijn van de benodigde informatie.
5. Indien bij een communautaire bepaling onder verwijzing naar dit lid is bepaald dat de verplichting is nagekomen wanneer het bewijs wordt overgelegd dat het product op een bepaalde bestemming is aangekomen, moet dit bewijs overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EG) nr. 800/1999 worden geleverd. Wordt dit bewijs niet overgelegd, dan wordt de certificaatzekerheid voor de betrokken hoeveelheid verbeurd.
Dit bewijs moet eveneens worden geleverd binnen twaalf maanden na afloop van de geldigheidsduur van het certificaat. Wanneer evenwel de op grond van artikel 16 van Verordening (EG) nr. 800/1999 vereiste documenten niet binnen de voorgeschreven termijn kunnen worden overgelegd, kan de exporteur, wanneer hij het nodige heeft gedaan om de documenten binnen die termijn te verkrijgen, een aanvullende termijn worden toegestaan om deze documenten alsnog over te leggen.
6. Voor invoercertificaten waarop bij een communautaire bepaling dit lid van toepassing is verklaard, moet, behoudens overmacht, het in artikel 33, lid 1, onder a), bedoelde bewijs van het gebruik van het certificaat in afwijking van lid 4 binnen 45 dagen na afloop van de geldigheidsduur van het certificaat worden geleverd.
Wanneer het in artikel 33, lid 1, onder a), bedoelde bewijs dat het certificaat is gebruikt, niet binnen de gestelde termijn wordt geleverd:
a) wordt, wanneer het certificaat, gelet op de onderschrijdingstolerantie, binnen de geldigheidsduur is gebruikt, forfaitair 15 % van het in het certificaat aangegeven totale bedrag van de zekerheid verbeurd;
b) wordt bij gedeeltelijk gebruik van het certificaat binnen de geldigheidsduur de zekerheid verbeurd ten belope van:
- een bedrag dat overeenkomt met het verschil tussen 95 % van de in het certificaat aangegeven hoeveelheid en de werkelijk ingevoerde hoeveelheid, plus
- forfaitair, 15 % van de zekerheid die resteert na aftrek van het in het vorige streepje bedoelde bedrag, plus
- voor elke dag waarmee de termijn voor de indiening van het bewijs overschreden wordt, 3 % van de zekerheid die resteert na aftrek van de in de vorige twee streepjes bedoelde bedragen.
Afdeling 5
Verlies van certificaten