Art. 16 Verordening (EG) nr. 104/2000
1. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de regels die zij voor alle marktdeelnemers van één of meer regio's voornemens zijn verbindend te verklaren uit hoofde van artikel 15, lid 1. De Commissie besluit dat een lidstaat de regels niet verbindend mag verklaren wanneer zij vaststelt:
a) dat daardoor het vrije handelsverkeer wordt belemmerd of de doelstellingen van artikel 33 van het Verdrag in gevaar worden gebracht, of
b) dat overeenkomsten, besluiten of feitelijke gedragingen die men verbindend wil verklaren voor andere producenten, strijdig zijn met artikel 81, lid 1, van het Verdrag, of
c) dat de bepalingen van artikel 15 van deze verordening niet zijn nageleefd.
De regels mogen niet eerder dan twee maanden nadat de Commissie de kennisgeving heeft ontvangen verbindend worden verklaard, dus nadat de Commissie in de loop van die periode heeft meegedeeld dat zij geen bezwaar heeft tegen genoemde regels.
2. Wanneer de Commissie naar aanleiding van controles achteraf twijfelt aan de redelijkheid van de verbindendverklaring in verband met de in lid 1, onder a), b) of c), genoemde omstandigheden, verzoekt zij de betreffende lidstaat de toepassing van het besluit in zijn geheel of gedeeltelijk te schorsen. In dit geval en binnen twee maanden na die datum zal de Commissie:
- toestemming geven om de schorsing op te heffen,
of
- bij een gemotiveerd besluit de verbindendverklaring waartoe door de lidstaat besloten is nietig verklaren op basis van een van bovengenoemde omstandigheden. In dat geval is het besluit van de Commissie van toepassing vanaf de datum waarop het verzoek tot schorsing van de regels aan de lidstaat werd toegezonden.
3. De Commissie stelt het in artikel 38, lid 1, bedoelde comité in iedere fase in kennis van een eventueel besluit aangaande de verbindendverklaring van brancheovereenkomsten uit hoofde van lid 1 en een eventuele schorsing of intrekking van bestaande regels uit hoofde van lid 2.
4. In geval van derdenbinding voor één of meer producten, en wanneer één of meer van de in artikel 15, lid 3, onder a), bedoelde activiteiten van een erkende brancheorganisatie van algemeen economisch belang zijn voor de ondernemers wier activiteiten met dit product of de betrokken producten verband houden, kan de lidstaat die de erkenning heeft verleend bepalen dat ook de niet bij de brancheorganisatie aangesloten individuele marktdeelnemers of verenigingen die voordeel hebben bij deze activiteiten, de volle financiële bijdrage die de leden betalen of een gedeelte daarvan aan de brancheorganisatie moeten betalen, voorzover die financiële bijdragen bestemd zijn voor de kosten die rechtstreeks uit de betrokken activiteiten voortvloeien.