Art. 15 Verordening (EG) nr. 104/2000

Verordening (EG) nr. 104/2000

1. Indien een in één of meer regio's van een lidstaat werkzame brancheorganisatie voor een bepaald product representatief wordt geacht voor de productie en/of de verhandeling en/of de verwerking van dat product, kan de betrokken lidstaat op verzoek van de betrokken organisatie bepaalde in het kader van deze organisatie genomen besluiten, gesloten overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen voor een beperkte periode verbindend verklaren voor de individuele marktdeelnemers of samenwerkingsverbanden die in de betrokken regio's werkzaam zijn en die niet bij deze organisatie zijn aangesloten.

2. Een brancheorganisatie wordt als representatief in de zin van lid 1 beschouwd, wanneer zij ten minste twee derde van de productie en/of de verhandeling en/of de verwerking van het betrokken product of de betrokken producten in de betrokken regio of regio's van een lidstaat vertegenwoordigt. Ingeval om derdenbinding voor verscheidene regio's wordt verzocht, moet de brancheorganisatie het bewijs leveren van representativiteit, zoals hierboven omschreven, voor elke branchegroep in elke betrokken regio.

3. De regels waarvoor om derdenbinding wordt verzocht:

a) mogen alleen de onderstaande onderwerpen betreffen:

- kennis van productie en markt,

- productieregels die strenger zijn dan de eventueel in de communautaire of nationale wetgeving vastgestelde voorschriften,

- opstelling van met de communautaire wetgeving verenigbare standaardcontracten,

- regels inzake de verhandeling;

b) moeten reeds ten minste één jaar van toepassing zijn;

c) mogen voor ten hoogste drie afzetjaren verplicht worden gesteld;

d) mogen geen schade toebrengen aan in andere regio's van de lidstaat gevestigde operatoren of aan operatoren in andere lidstaten.