Art. 21 Verordening (EG) nr. 104/2000, Financiële ophoudvergoeding
1. Voor de in bijlage I, punten A en B, genoemde producten kennen de lidstaten aan de producentenorganisaties die in het kader van artikel 17 ophoudmaatregelen nemen, een financiële vergoeding toe, op voorwaarde dat:
a) door deze organisaties de overeenkomstig artikel 20 vastgestelde communautaire ophoudprijs wordt toegepast; een tolerantie van 10 % onder tot 10 % boven deze prijs is evenwel toegestaan om met name rekening te houden met de seizoenschommelingen van de marktprijzen;
b) de uit de markt genomen producten in overeenstemming zijn met de overeenkomstig artikel 2 vastgestelde handelsnormen en kwalitatief beantwoorden aan de volgens de procedure van artikel 2, lid 3, vast te stellen eisen;
c) de onder a) bedoelde ophoudprijs gedurende het hele visseizoen voor alle betrokken productklassen wordt toegepast; een producentenorganisatie die in het kader van de in artikel 5, lid 1, bedoelde maatregelen de vangst of de verkoop van bepaalde productklassen verbiedt, hoeft de op deze productklassen betrekking hebbende communautaire ophoudprijs echter niet toe te passen.
2. De financiële vergoeding wordt slechts toegekend op voorwaarde dat de uit de markt genomen producten voor andere doeleinden dan voor menselijke consumptie worden gebruikt of op zodanige wijze worden afgezet dat zij geen belemmering vormen voor de normale afzet van de andere producten.
3. Voor de in lid 1 bedoelde producten:
a) is het bedrag van de financiële vergoeding gelijk aan:
i) 85 % van de door de betrokken producentenorganisatie toegepaste ophoudprijs voor uit de markt genomen hoeveelheden van niet meer dan 4 % van de te koop aangeboden jaarlijkse hoeveelheden van het betrokken product;
ii) met ingang van het visseizoen 2003, 55 % van de door de betrokken producentenorganisatie toegepaste ophoudprijs voor de uit de markt genomen hoeveelheden van meer dan 4 % maar niet meer dan 10 % voor pelagische soorten en niet meer dan 8 % voor andere soorten van de te koop aangeboden jaarlijkse hoeveelheden; voor de visseizoenen 2001 en 2002 is het bedrag gelijk aan 75 % respectievelijk 65 %;
b) wordt geen financiële vergoeding toegekend voor de uit de markt genomen hoeveelheden van meer dan 10 % voor pelagische soorten en meer dan 8 % voor andere soorten van de door een producentenorganisatie te koop aangeboden jaarlijkse hoeveelheden.
4. Voor de berekening van het bedrag van de aan een producentenorganisatie toe te kennen financiële vergoeding wordt de productie van alle bij deze organisatie aangesloten producenten in aanmerking genomen, met inbegrip van de overeenkomstig artikel 7 eventueel door een andere organisatie uit de markt genomen hoeveelheden.
5. Het bedrag van de financiële vergoeding wordt verminderd met de forfaitair vastgestelde waarde van het voor andere doeleinden dan voor menselijke consumptie bestemde product of met de netto-ontvangsten uit de afzet van de voor menselijke consumptie bestemde producten overeenkomstig het bepaalde in lid 2. Bovenbedoelde waarde wordt vastgesteld aan het begin van het visseizoen. Het niveau ervan wordt evenwel gewijzigd wanneer er op de markten van de Gemeenschap belangrijke en duurzame veranderingen in de prijzen worden geconstateerd.
6. Wanneer een producentenorganisatie voor de in lid 1 bedoelde producten ophoudmaatregelen neemt, kent zij de aangesloten producenten voor de uit de markt genomen hoeveelheden een vergoeding toe die ten minste gelijk is aan de som van de overeenkomstig lid 3, onder a), berekende financiële vergoeding en een bedrag dat gelijk is aan 10 % van de door deze organisatie toegepaste ophoudprijs.
Een producentenorganisatie kan evenwel in het kader van een interne sanctieregeling een lagere dan de in de vorige alinea bedoelde vergoeding aan de aangesloten producenten toekennen, mits het verschil wordt bestemd voor een reservefonds dat uitsluitend voor latere interventies kan worden aangesproken.
7. In geval van ernstige marktverstoringen kan de Commissie volgens de procedure van artikel 38, lid 2, maatregelen treffen om de bepalingen van lid 3 aan te passen. De getroffen maatregelen mogen niet langer dan zes maanden van toepassing zijn.
8. De bepalingen ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 38, lid 2.