Art. 7 Richtlijn 2000/12/EG, Aandeelhouders en vennoten
1. De bevoegde autoriteiten verlenen geen vergunning tot het uitoefenen van de werkzaamheden van een kredietinstelling voordat zij in kennis zijn gesteld van de identiteit van de directe of indirecte aandeelhouders of vennoten, natuurlijke of rechtspersonen, die daarin een gekwalificeerde deelneming bezitten, alsmede van het bedrag van die deelneming.
Voor de toepassing in het onderhavige artikel van het begrip "gekwalificeerde deelneming" worden de stemrechten, vermeld in artikel 7 van Richtlijn 88/627/EEG van de Raad(13), in aanmerking genomen.
2. De bevoegde autoriteiten verlenen geen vergunning indien zij, gelet op de noodzaak een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de kredietinstelling te garanderen, niet overtuigd zijn van de geschiktheid van de genoemde aandeelhouders of vennoten.
3. Wanneer er nauwe banden bestaan tussen de kredietinstelling en andere natuurlijke of rechtspersonen, verlenen de bevoegde autoriteiten de vergunning slechts indien deze banden de juiste uitoefening van hun toezichthoudende taken niet belemmeren.
De bevoegde autoriteiten weigeren ook de vergunning indien de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een derde land die van toepassing zijn op één of meer natuurlijke of rechtspersonen met wie de kredietinstelling nauwe banden heeft, of moeilijkheden in verband met de toepassing van die bepalingen, een belemmering vormen voor de juiste uitoefening van hun toezichthoudende taken.
De bevoegde autoriteiten verlangen van kredietinstellingen dat zij hen de informatie verstrekken die zij nodig hebben om zich ervan te vergewissen dat doorlopend aan de in dit lid gestelde voorwaarden wordt voldaan.