Art. 23 Richtlijn 2000/12/EG, Kennisgeving van dochterondernemingen van ondernemingen uit derde landen en van de markttoegangsvoorwaarden in deze landen

Richtlijn 2000/12/EG

1. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten stellen de Commissie in kennis van:

a) elke vergunningsverlening voor een rechtstreekse of onrechtstreekse dochteronderneming waarvan één of meer moederondernemingen onder het recht van een derde land vallen. De Commissie stelt het Raadgevend Comité voor het bankwezen daarvan in kennis;

b) elke deelneming van een dergelijke onderneming in een kredietinstelling van de Gemeenschap waardoor deze instelling haar dochteronderneming zou worden. De Commissie stelt het Raadgevend Comité voor het bankwezen daarvan in kennis.

Wanneer vergunning wordt verleend aan een rechtstreekse of onrechtstreekse dochteronderneming van één of meer moederondernemingen die onder het recht van een derde land vallen, wordt de structuur van de groep vermeld in de kennisgeving van de bevoegde autoriteiten aan de Commissie overeenkomstig artikel 11.

2. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de algemene moeilijkheden die hun kredietinstellingen ondervinden bij vestiging of uitoefening van bankwerkzaamheden in een derde land.

3. De Commissie stelt periodiek een verslag op waarin de in de leden 4 en 5 bedoelde behandeling van kredietinstellingen van de Gemeenschap in derde landen, met betrekking tot de vestiging en de uitoefening van bankwerkzaamheden en het verwerven van deelnemingen in kredietinstellingen van derde landen wordt onderzocht. De Commissie legt deze verslagen, in voorkomend geval vergezeld van passende voorstellen, voor aan de Raad.

4. Indien de Commissie vaststelt, hetzij op grond van de in lid 3 bedoelde verslagen, hetzij op basis van andere informatie, dat een derde land de kredietinstellingen van de Gemeenschap geen daadwerkelijke toegang tot de markt verleent die vergelijkbaar is met die welke de Gemeenschap toekent aan kredietinstellingen van dat derde land, kan zij aan de Raad voorstellen doen om een passend onderhandelingsmandaat te verkrijgen teneinde voor de kredietinstellingen van de Gemeenschap vergelijkbare concurrentiemogelijkheden te verkrijgen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

5. Indien de Commissie vaststelt, hetzij op grond van de in lid 3 bedoelde verslagen, hetzij op basis van andere informatie, dat in een derde land kredietinstellingen van de Gemeenschap geen nationale behandeling krijgen die dezelfde concurrentiemogelijkheden biedt als die welke aan binnenlandse kredietinstellingen worden geboden, en dat de voorwaarden voor daadwerkelijke toegang tot de markt niet zijn vervuld, kan zij onderhandelingen openen om dit euvel te verhelpen.

In de in de eerste alinea bedoelde omstandigheden kan ook, naast het openen van onderhandelingen, overeenkomstig de procedure van artikel 60, lid 2, worden besloten dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten hun beslissingen inzake ten tijde van het besluit ingediende of toekomstige vergunningaanvragen en het verwerven van deelnemingen door rechtstreekse of onrechtstreekse moederondernemingen die onder het recht van het betrokken derde land vallen, moeten beperken of opschorten. De bedoelde maatregelen zijn ten hoogste drie maanden geldig.

Vóór het verstrijken van deze termijn van drie maanden kan de Raad in het licht van het resultaat van de onderhandelingen op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten of de maatregelen van toepassing blijven.

Een dergelijke beperking of opschorting geldt niet voor de oprichting van dochterondernemingen door kredietinstellingen of dochterondernemingen daarvan die een vergunning hebben gekregen in de Gemeenschap, noch voor het verwerven van deelnemingen door dergelijke kredietinstellingen of dochterondernemingen in een kredietinstelling van de Gemeenschap.

6. Indien de Commissie een van de in de leden 4 en 5 bedoelde vaststellingen doet, stellen de lidstaten haar desgevraagd in kennis van:

a) elke vergunningaanvraag door een rechtstreekse of onrechtstreekse dochteronderneming waarvan een of meer moederondernemingen onder het recht van het betrokken derde land vallen;

b) van elk op grond van artikel 16 door een dergelijke onderneming voorgelegd project voor verwerving van een deelneming in een kredietinstelling van de Gemeenschap, waardoor deze instelling haar dochteronderneming zou worden.

Deze kennisgevingsverplichting vervalt zodra met een derde land als bedoeld in lid 4 of lid 5 een overeenkomst is gesloten of wanneer de in lid 5, tweede en derde alinea, bedoelde maatregelen niet meer van toepassing zijn.

7. De krachtens dit artikel getroffen maatregelen moeten in overeenstemming zijn met de verplichtingen die de Gemeenschap heeft uit hoofde van inernationale bi- of multilaterale overeenkomsten inzake de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen.