Art. 19 Richtlijn 2000/12/EG, Financiële instellingen

Richtlijn 2000/12/EG

De lidstaten bepalen dat de in bijlage I genoemde lijst werkzaamheden op hun grondgebied mogen worden uitgeoefend overeenkomstig het bepaalde in artikel 20, leden 1 tot en met 6, artikel 21, leden 1 en 2, en in artikel 22, zowel door middel van het vestigen van een bijkantoor als door middel van het verrichten van diensten, door iedere financiële instelling van een andere lidstaat die een dochteronderneming van een kredietinstelling of een gemeenschappelijke dochteronderneming van twee of meer kredietinstellingen is, die wettelijk de betrokken werkzaamheden mag uitoefenen en die aan alle volgende voorwaarden voldoet:

- aan de moederonderneming of -ondernemingen is vergunning verleend als kredietinstelling in de lidstaat onder het recht waarvan de dochteronderneming valt;

- de betrokken werkzaamheden worden daadwerkelijk uitgeoefend op het grondgebied van dezelfde lidstaat;

- de moederonderneming of -ondernemingen is, respectievelijk zijn in het bezit van 90 % of meer van de aan de aandelen van de dochteronderneming verbonden stemrechten;

- de moederonderneming of -ondernemingen moet, respectievelijk moeten ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aantonen dat de dochteronderneming op een prudente wijze wordt beheerd en zich, met instemming van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, hoofdelijk borg hebben gesteld voor de verplichtingen van de dochteronderneming;

- de dochteronderneming is, in het bijzonder voor de betrokken werkzaamheden, daadwerkelijk opgenomen in het toezicht op geconsolideerde basis waaraan de moederonderneming, of elk van de moederondernemingen, overeenkomstig de artikelen 52 tot en met 56, is onderworpen, met name voor de berekening van de solvabiliteitsratio, voor het toezicht op de grote risico's en de in artikel 51 gestelde beperking van de deelnemingen.

De vervulling van deze voorwaarden moet worden geverifieerd door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, die vervolgens een attest aan de dochteronderneming afgeven dat dient te worden gevoegd bij de in artikel 20, leden 1 tot en met 6, en artikel 21, leden 1 en 2, bedoelde kennisgevingen.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst dragen zorg voor het toezicht op de dochteronderneming overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, lid 3, en in de artikelen 16, 17, 26, 28, 29, 30 en 32.

De bepalingen waarnaar dit artikel verwijst, zijn van overeenkomstige toepassing op dochterondernemingen. In het bijzonder dient het woord "kredietinstelling" te worden gelezen als "financiële instelling die voldoet aan de voorwaarden van artikel 19", en het woord "vergunning" als "wettelijke regeling".

De tweede alinea van artikel 20, lid 3, wordt als volgt gelezen:"De bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst doet tevens mededeling van het bedrag van het eigen vermogen van de financiële instelling die dochteronderneming is en van de geconsolideerde solvabiliteitsratio van de kredietinstelling die haar moederonderneming is.".

Indien de financiële instelling die onder de bepalingen van dit artikel valt, niet langer aan één van de gestelde voorwaarden voldoet, stelt de lidstaat van herkomst de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst daarvan in kennis, en vallen de door die instelling in de lidstaat van ontvangst uitgeoefende werkzaamheden onder de wetgeving van de lidstaat van ontvangst.

Uitspraken die dit artikel aanhalen