Art. 22 Richtlijn 2000/12/EG, Bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst

Richtlijn 2000/12/EG

1. De lidstaat van ontvangst kan, voor statistische doeleinden, verlangen dat elke kredietinstelling die een bijkantoor op zijn grondgebied heeft, aan de bevoegde autoriteiten van deze lidstaat een periodiek verslag over de werkzaamheden op zijn grondgebied zendt.

Voor de uitoefening van de krachtens artikel 27 op hem rustende verantwoordelijkheden kan de lidstaat van ontvangst van de bijkantoren van kredietinstellingen dezelfde gegevens verlangen als deze voor dat doel van de nationale kredietinstellingen verlangt.

2. Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst constateren dat een instelling die op hun grondgebied een bijkantoor heeft of werkzaam is in het kader van het verrichten van diensten, niet de wettelijke bepalingen naleeft welke deze lidstaat heeft vastgesteld ter uitvoering van de bepalingen van deze richtlijn die een bevoegdheid van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst inhouden, eisen zij dat de betrokken instelling een eind maakt aan deze onregelmatige situatie.

3. Indien de betrokken instelling niet het nodige doet, stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst die van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis. Deze laatsten treffen zo spoedig mogelijk alle passende maatregelen om te bewerkstelligen dat de betrokken instelling een eind maakt aan deze onregelmatige situatie. De aard van deze maatregelen wordt medegedeeld aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst.

4. Indien de instelling, in weerwil van de aldus door de lidstaat van herkomst getroffen maatregelen, of omdat deze maatregelen ontoereikend zijn of die lidstaat geen maatregelen treft, inbreuk blijft maken op de in lid 2 bedoelde, in de lidstaat van ontvangst geldende wettelijke bepalingen, kan de lidstaat van ontvangst, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, passende maatregelen treffen om verdere onregelmatigheden te voorkomen of te bestraffen en, voorzover zulks noodzakelijk is, kan hij deze instelling beletten nieuwe transacties op zijn grondgebied aan te vangen. De lidstaten dragen er zorg voor dat de voor die maatregelen vereiste stukken op hun grondgebied aan de kredietinstellingen kunnen worden betekend.

5. De bepalingen van de leden 1 tot en met 4 laten de bevoegdheid van de lidstaat van ontvangst onverlet om passende maatregelen te treffen ter voorkoming of bestraffing van onregelmatigheden op zijn grondgebied die in strijd zijn met de wettelijke bepalingen die deze om redenen van algemeen belang heeft vastgesteld. Met name kan de lidstaat van ontvangst de betrokken instelling beletten nieuwe transacties op zijn grondgebied aan te vangen.

6. Elke ter uitvoering van de leden 3, 4 en 5 genomen maatregel die sancties en een beperking van de uitoefening van het verrichten van diensten behelst, moet naar behoren met redenen worden omkleed en aan de betrokken instelling worden medegedeeld. Tegen elke maatregel van die aard staat in de lidstaat waar hij is genomen, beroep open bij de rechter.

7. Alvorens de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde procedure toe te passen kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst in spoedeisende gevallen de conservatoire maatregelen treffen die onontbeerlijk zijn voor de bescherming van de belangen van inleggers, beleggers of andere personen voor wie diensten worden verricht. De Commissie en de bevoegde autoriteiten van de overige betrokken lidstaten moeten zo spoedig mogelijk van die maatregelen op de hoogte worden gesteld.

De Commissie kan, na raadpleging van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, besluiten dat de betrokken lidstaat deze maatregelen moet wijzigen of intrekken.

8. De lidstaat van ontvangst kan in het kader van de uitoefening van de bevoegdheden die hem bij deze richtlijn wordt toegekend passende maatregelen treffen om onregelmatigheden op zijn grondgebied te voorkomen of te bestraffen. Met name kan de lidstaat van ontvangst de betrokken instelling beletten nieuwe transacties op zijn grondgebied aan te vangen.

9. Ingeval de vergunning wordt ingetrokken, worden de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst daarvan in kennis gesteld en nemen zij passende maatregelen teneinde de betrokken instelling te beletten om op hun grondgebied nieuwe transacties aan te vangen en teneinde de belangen van de inleggers te vrijwaren. Om de twee jaar brengt de Commissie over deze gevallen verslag uit aan het Raadgevend Comité voor het bankwezen.

10. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van het aantal en de aard van de gevallen waarin overeenkomstig artikel 20, leden 1 tot en met 6, een weigering is uitgesproken of waarin overeenkomstig lid 4 van het onderhavige artikel maatregelen zijn genomen. Om de twee jaar brengt de Commissie over deze gevallen verslag uit aan het Raadgevend Comité voor het bankwezen.

11. Dit artikel belet kredietinstellingen die hun hoofdkantoor in een andere lidstaat hebben, niet hun diensten met alle beschikbare communicatiemiddelen te adverteren in de lidstaat van ontvangst, mits zij alle eventuele voorschriften inzake de vorm en de inhoud van dit adverteren in acht nemen die zijn vastgesteld om redenen van algemeen belang.