Art. 32, Extensiveringsbedrag
1. Om voor een extensiveringsbedrag in aamnerking te komen moeten producenten in hun steunaanvraag "oppervlakten" aangeven dat zij wensen deel te nemen aan de regeling inzake het extensiveringsbedrag.
2. Dieren waarvoor er overeenkomstig artikel 3 van wordt uitgegaan dat de speciale premie is toegekend, komen niet voor het extensiveringsbedrag in aanmerking.
3. Om na te gaan of het overeenkomstig artikel 13, lid 3, onder a), van Verordening (EG) nr. 1254/1999 berekende aantal dieren in overeenstemming is met het of de in artikel 13, lid 2, van diezelfde verordening vastgestelde veebezettingsgetal of veebezettingsgetallen, stelt de lidstaat jaarlijks ten minste vijf data voor de telling van de dieren vast en doet hij de Commissie daarvan mededeling.
Tenzij de lidstaat besluit dat de teldata alle data van het jaar zijn:
- moeten de teldata willekeurig worden gespreid, op zodanige wijze dat deze representatief zijn voor het gehele jaar, en moeten deze elk jaar worden gewijzigd,
en
- moet elke teldatum achteraf worden vastgesteld en mag hij niet eerder dan twee weken nadat hij is vastgesteld aan de producent worden meegedeeld.
De telling van de dieren kan, naar keuze van de lidstaat, volgens één van de volgende methoden gebeuren:
- de lidstaat verzoekt de producent vóór een door de lidstaat te bepalen datum op basis van zíjn stalregister het aantal GVE of het aantal dieren van elk van de twee in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1254/1999 bedoelde categorieën runderen te declareren;
of
- lidstaten die beschikken over een gecomputeriseerd gegevensbestand als bedoeld in artikel 3, onder b), van Verordening (EG) nr. 820/97, gebruiken het om het aantal GVE te bepalen, voorzover dit bestand, naar het oordeel van de lidstaat, voldoende garanties biedt ten aanzien van de juistheid van de erin opgenomen gegevens voor de toepassing van de regeling inzake het extensiveringsbedrag.
Het aantal GVE dat in aanmerking wordt genomen wanneer wordt nagegaan of de producent de in artikel 13, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 vastgestelde veebezettingsgetallen in acht neemt, is het rekenkundig gemiddelde van de op de teldata vastgestelde aantallen GVE, vermeerderd met het aantal GVE dat overeenkomt met het aantal schapen en geiten waarvoor premieaanvragen voor hetzelfde kalenderjaar zijn ingediend.
Indien de lidstaat evenwel besluit dat de teldata alle dagen van het jaar zijn, kan hij bepalen dat de onder a) en b) bedoelde aantallen worden berekend naar evenredigheid van de duur van de aanwezigheid van de dieren.
De lidstaat neemt de nodige maatregelen om artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1259/1999 toe te passen in het geval van producenten die, door gedurende een deel van het jaar de veebezetting op abnormaal lage niveaus te brengen, kunstmatig de voorwaarden scheppen waaraan krachtens artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 moet zijn voldaan.
4. In afwijking van lid 3 kan de lidstaat de producent de mogelijkheid bieden voor een vereenvoudigde regeling te kiezen.
In dat geval moet de producent in zijn steunaanvraag "oppervlakten" vermelden dat hij:
a) verklaart elke dag tot op de dag van indiening van zijn steunaanvraag "oppervlakten" het in artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 vastgestelde maximale veebezettingsgetal in acht te hebben genomen;
en
b) zich ertoe verbindt dit veebezettingsgetal elke dag vanaf de dag van indiening van zijn steunaanvraag "oppervlakten" tot en met 31 december in acht te zullen nemen.
Ingeval de lidstaat besloten heeft artikel 13, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 toe te passen, moet de producent in zijn aanvraag aangeven welk van de twee maximale veebezettingsgetallen hij in acht neemt. Zolang geen controle ter plaatse van zijn aantal dieren is aangekondigd, kan de producent deze keuze wijzigen.
Zolang geen controle ter plaatse van zijn aantal dieren is aangekondigd, kan de producent de bevoegde autoriteit meedelen dat hij zijn verbintenis intrekt. In dat geval komt hij niet voor het extensiveringsbedrag in aanmerking.
Voor de in dit lid bedoelde verklaring en verbintenis gelden de in het geïntegreerd systeem vastgestelde bepalingen inzake controles en sancties.
5. De lidstaten delen de Commissie vóór 1 januari 2000 de definitie van "grasland" mee die zij zullen hanteren voor de toepassing van artikel 13, lid 3, onder c), van Verordening (EG) nr. 1254/1999. Latere wijzigingen moeten de Commissie vóór 1 januari van het betrokken jaar worden meegedeeld.
6. De Commissie besluit uiterlijk op 1 november 1999 welke lidstaten voldoen aan de in artikel 13, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 bedoelde voorwaarden.
Voor de toepassing van genoemd lid worden de volgende producenten als producenten in een berggebied beschouwd:
- producenten wier bedrijf in een berggebied ligt,
en
- producenten wier voederareaal voor ten minste 50 % in een berggebied ligt.
7. Onverminderd het bepaalde in lid 1 moet de producent die voor het extensiveringsbedrag uit hoofde van lid 6 in aanmerking wenst te komen dit in zijn steunaanvraag "dieren" aangeven. Hij moet gedurende ten minste zes opeenvolgende maanden vanaf de indiening van de aanvraag ten minste het aantal melkkoeien houden waarvoor het extensiveringsbedrag wordt aangevraagd. Deze aanhoudperiode van zes maanden gaat in op de dag volgende op die van de indiening van de aanvraag.
De aanvragen moeten worden ingediend binnen een door de lidstaten vast te stellen totale periode van zes maanden in de loop van een kalenderjaar.
Binnen deze totale periode kan de lidstaat verschillende perioden voor de indiening van aanvragen vaststellen.
8. Het aantal melkkoeien waarvoor aan een producent het extensiveringsbedrag wordt toegekend, kan geen van de navolgende twee aantallen te boven gaan:
a) het aantal melkkoeien dat nodig is om de individuele referentiehoeveelheid melk te produceren die aan de producent is toegewezen op 31 maart voorafgaand aan het begin van de in het betrokken kalenderjaar ingaande periode van twaalf maanden van toepassing van de regeling inzake de extra heffing, welk aantal wordt berekend aan de hand van de gemiddelde melkopbrengst als bedoeld in bijlage II;
b) het totale aantal koeien van het bedrijf, bepaald overeenkomstig lid 3, verminderd met het aantal zoogkoeien dat overeenkomt met het individuele maximum van de producent.
9. Wanneer een lidstaat besluit gebruik te maken of niet langer gebruik te maken van de in artikel 13, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 bedoelde mogelijkheid, stelt hij de Commissie hiervan vóór 1 januari van het betrokken kalenderjaar in kennis.
10. Voor de berekening van het veebezettingsgetal op grond van dit artikel wordt alleen met de eerste twee cijfers achter de komma rekening gehouden.