Art. 3
1. De areaalbetalingen voor akkerbouwgewassen worden uitsluitend toegekend voor oppervlakten:
a) die gelegen zijn in regio's die door de lidstaat uit klimatologisch en agronomisch oogpunt voor de teelt van akkerbouwgewassen geschikt zijn verklaard. De lidstaten kunnen bepalen dat een regio niet voor de teelt van bepaalde akkerbouwgewassen geschikt is;
b) die volledig zijn ingezaaid volgens de plaatselijke normen. Wanneer granen gemengd met oliehoudende zaden of eiwithoudende gewassen, of oliehoudende zaden gemengd met eiwithoudende gewassen worden ingezaaid, geldt de laagste areaalbetaling;
c) waarop het akkerbouwgewas ten minste wordt verzorgd tot het begin van de bloei bij normale groeiomstandigheden. Bij de teelt van oliehoudende zaden, eiwithoudende gewassen, lijnzaad en durumtarwe moet het gewas volgens de plaatselijke normen worden verzorgd en wel ten minste tot en met 30 juni vóór het betrokken verkoopseizoen, tenzij het gewas vóór die datum volledig rijp wordt geoogst. Eiwithoudende gewassen mogen eerst na het melkrijpheidsstadium worden geoogst;
d) waarvoor een aanvraag voor ten minste 0,3 ha is ingediend en waarvan elk perceel bouwland ten minste de minimumoppervlakte heeft die de lidstaat voor de betrokken regio heeft vastgesteld.
2. Wanneer de voor areaalbetaling in aanmerking komende oppervlakten van een producent in verscheidene productieregio's liggen, is de ligging van elke oppervlakte waarop de aanvraag betrekking heeft, bepalend voor het bedrag dat voor die oppervlakte wordt uitbetaald.
3. Lidstaten die een aparte behandeling voor maïs toepassen in regio's waar maïs vooral voor inkuiling wordt geteeld, mogen voor alle oppervlakten met maïs in de betrokken regio de opbrengst van een voedergraansoort in die regio toepassen.