Art. 29 Verordening (EG) nr. 1750/1999
Verordening (EG) nr. 1750/1999
1. Indien een begunstigde gedurende de looptijd van een als voorwaarde voor de toekenning van steun aangegane verbintenis zijn bedrijf geheel of gedeeltelijk aan een andere persoon overdraagt, kan deze laatste de verbintenis voor de resterende looptijd overnemen. Indien dit niet gebeurt, moet de begunstigde de toegekende steun terugbetalen.
De lidstaten kunnen van deze terugbetaling afzien indien een begunstigde die reeds voor een belangrijk deel aan zijn verbintenis heeft voldaan, zijn landbouwactiviteit definitief beëindigt en overname van de verbintenis door een opvolger niet haalbaar blijkt.
De lidstaten kunnen specifieke maatregelen treffen om te voorkomen dat, in geval van geringe veranderingen in de bedrijfsomstandigheden, toepassing van de eerste en de tweede alinea tot in het licht van de aangegane verbintenis ongeëigende resultaten leidt.
2. De lidstaten kunnen, wanneer een begunstigde gedurende de looptijd van een als voorwaarde voor de toekenning van steun aangegane verbintenis zijn bedrijfsoppervlakte vergroot, een regeling treffen voor:
a) de uitbreiding van de verbintenis zodat deze gedurende de nog resterende looptijd van de verbintenis mede de toegevoegde oppervlakte bestrijkt, op voorwaarde dat die uitbreiding:
i) voor de betreffende maatregel een onbetwistbaar voordeel oplevert,
ii) gerechtvaardigd is uit het oogpunt van de aard van de verbintenis, de duur van de resterende looptijd en de grootte van de toegevoegde oppervlakte, die aanmerkelijk kleiner moet zijn dan de oorspronkelijke oppervlakte of niet meer dan twee hectares,
en
iii) geen afbreuk doet aan de doeltreffende controle op de naleving van de voor de steunverlening geldende voorwaarden,
of
b) de vervanging van de oorspronkelijke verbintenis van de begunstigde door een nieuwe verbintenis voor de gehele betrokken oppervlakte onder voorwaarden die ten minste even strikt zijn als die van de oorspronkelijke verbintenis.
Punt b) is eveneens van toepassing in gevallen waarin de oppervlakte die het voorwerp van een verbintenis vormt, binnen het bedrijf wordt vergroot.
3. Indien de begunstigde de aangegane verbintenissen niet kan blijven nakomen omdat het bedrijf het voorwerp van een ruilverkaveling of van een soortgelijke publieke landinrichtingsmaatregel vormt, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de verbintenissen aan de nieuwe bedrijfsomstandigheden worden aangepast. Indien een dergelijke aanpassing onmogelijk blijkt, eindigt de verbintenis en wordt voor de periode waarin de verbintenis effectief was, geen terugbetaling geëist.