Art. 61 Verordening (EG) nr. 1493/1999

Verordening (EG) nr. 1493/1999

1. Om schade voor de markt in de Gemeenschap door de invoer van bepaalde in artikel 1, lid 2, bedoelde producten te voorkomen of tegen te gaan, wordt invoer van een of meer van die producten tegen het in het gemeenschappelijk douanetarief vastgestelde recht aan de betaling van een aanvullend invoerrecht onderworpen, indien is voldaan aan de voorwaarden van artikel 5 van de Overeenkomst inzake de landbouw die overeenkomstig artikel 300 van het Verdrag in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde is gesloten, tenzij de invoer de communautaire markt niet dreigt te verstoren of de gevolgen niet in verhouding zouden staan tot het beoogde doel.

2. De prijzen waarbeneden een aanvullend invoerrecht kan worden toegepast, zijn de door de Gemeenschap aan de Wereldhandelsorganisatie doorgegeven prijzen.

De hoeveelheden die voor de toepassing van een aanvullend invoerrecht moeten worden overschreden, worden vastgesteld met name op basis van de invoer in de Gemeenschap tijdens de drie jaren die voorafgaan aan het jaar waarin de in lid 1 bedoelde schade zich heeft voorgedaan of zich dreigt voor te doen.

3. De invoerprijzen die voor de toepassing van een aanvullend invoerrecht in aanmerking dienen te worden genomen, worden vastgesteld op basis van de cif-invoerprijzen van de betrokken zending.

De cif-invoerprijzen worden daartoe geverifieerd aan de hand van de representatieve prijzen voor het betrokken product op de wereldmarkt of op de communautaire invoermarkt voor dat product.

4. De Commissie stelt de uitvoeringsbepalingen van dit artikel vast volgens de procedure van artikel 75. Deze bepalingen betreffen met name:

a) de producten waarop aanvullende invoerrechten worden toegepast overeenkomstig artikel 5 van de Overeenkomst inzake de landbouw;

b) de overige criteria die noodzakelijk zijn voor de toepassing van lid 1 overeenkomstig artikel 5 van genoemde overeenkomst.

Vorige artikelen

Volgende artikelen