Art. 16 Verordening (EG) nr. 1254/1999
Verordening (EG) nr. 1254/1999
1. Veebetalingen voor mannelijke runderen kunnen per kalenderjaar toegewezen worden voor ten hoogste het aantal dieren in een lidstaat:
- dat gelijk is aan het nationale maximum van de betrokken lidstaat als bedoeld in bijlage I; of
- dat gelijk is aan het aantal mannelijke runderen waarvoor in 1997 premies zijn toegekend; of
- dat gelijk is aan het gemiddeld aantal geslachte mannelijke runderen in de jaren 1997, 1998 en 1999 volgens de Eurostat-statistieken voor die jaren of andere gepubliceerde officiële statistische gegevens voor die jaren die door de Commissie zijn geaccepteerd.
De lidstaten mogen, op nationale of regionale basis, ook een maximumaantal mannelijke runderen per bedrijf vaststellen waarvoor een veebetaling wordt toegekend.
Alleen mannelijke runderen van acht maanden of ouder komen in aanmerking. Wanneer de veebetalingen bij de slacht plaatsvinden, kunnen de lidstaten besluiten deze voorwaarde te vervangen door een minimumslachtgewicht van 180 kilogram.
2. Veebetalingen voor zoogkoeien en vaarzen die in aanmerking komen voor de in artikel 6, lid 4, en in artikel 10 bedoelde zoogkoeienpremie, mogen alleen worden toegekend als aanvulling op de in artikel 6, lid 4, bedoelde zoogkoeienpremie-eenheid.
3. Veebetalingen voor melkkoeien mogen alleen worden toegekend als bedrag per ton op het bedrijf beschikbare referentiekwantiteit die in aanmerking komt voor de premie en overeenkomstig artikel 16, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1255/1999 moet worden vastgesteld.
Artikel 15, lid 2, onder b), is niet van toepassing.
4. Veebetalingen voor andere vaarzen dan bedoeld in lid 2 mogen per lidstaat en per kalenderjaar worden toegekend voor ten hoogste het aantal vaarzen dat gelijk is aan het gemiddelde aantal vaarzen dat in de jaren 1997, 1998 en 1999 geslacht is volgens de Eurostat-statistieken voor die jaren of andere gepubliceerde officiële statistische gegevens voor die jaren die door de Commissie zijn geaccepteerd.