Art. 6 Richtlijn 1999/32/EG, Monsterneming en analyse

Richtlijn 1999/32/EG

1. De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om door middel van monsterneming te controleren of het zwavelgehalte van brandstoffen voldoet aan de voorschriften van de artikelen 3 en 4. Met het nemen van monsters wordt aangevangen binnen zes maanden na de datum waarop de toepasselijke grenswaarde voor het zwavelgehalte van de brandstof van kracht wordt. Er worden voldoende vaak monsters genomen en wel zo dat zij representatief zijn voor de gecontroleerde brandstof.

2. De referentiemethode voor de bepaling van het zwavelgehalte is:

a) ISO-methode 8754 (1992) en PrEN ISO 14596 voor zware stookolie en gasolie voor de zeescheepvaart;

b) EN-methode 24260 (1987), ISO 8754 (1992) en PrEN ISO 14596 voor gasolie.

De arbitragemethode is PrEN ISO 14596. De statistische interpretatie van de resultaten van de controles op het zwavelgehalte van gasolie geschiedt overeenkomstig ISO-norm 4259 (1992).