Art. 4 Richtlijn 98/57/EG

Richtlijn 98/57/EG

1. Telkens wanneer wordt vermoed dat het organisme voorkomt, dienen de verantwoordelijke officiële instanties van de betrokken lidstaat (lidstaten) toe te zien op de volledige afwikkeling van het officiële of onder officieel toezicht verrichte laboratoriumonderzoek, waarbij voor het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal gebruik wordt gemaakt van de geëigende methode van bijlage II overeenkomstig de in bijlage III, punt 1, gestipuleerde voorwaarden of, in andere gevallen, een andere officieel erkende methode, teneinde de vermoede aanwezigheid van het organisme te bevestigen dan wel te weerleggen. Indien bevestigd wordt dat het organisme voorkomt, geldt het bepaalde in bijlage III, punt 2.

2. In afwachting dat de vermoede aanwezigheid wordt bevestigd of weerlegd, als bedoeld in lid 1, dienen de verantwoordelijke officiële instanties van de lidstaten, in alle gevallen waarin:

i) diagnostische symptomen van de door het organisme veroorzaakte ziekte zijn waargenomen en een positieve uitkomst is verkregen bij de snelle screeningstest(s) als omschreven in bijlage II, deel I, punt 1, en deel II, of

ii) een positieve uitkomst is verkregen bij de screeningstest(s) als omschreven in bijlage II, deel I, punt 2, en deel III,

met betrekking tot hun eigen productie

a) te verbieden dat planten en knollen van alle gewassen, partijen of zendingen waarvan de monsters zijn genomen, worden verplaatst, tenzij dit onder hun toezicht gebeurt en op voorwaarde dat vaststaat dat er geen aanwijsbaar risico is dat het organisme zich kan verspreiden;

b) het nodige te doen om de oorsprong van de vermoede aanwezigheid van het organisme te achterhalen;

c) op grond van het geschatte risico passende aanvullende voorzorgsmaatregelen te nemen, in het bijzonder ten aanzien van de productie van het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal en van het verplaatsen van andere dan onder a) bedoelde partijen pootaardappelen die geteeld zijn op de productieplaats waar de onder a) genoemde monsters zijn genomen, om verspreiding van het organisme te voorkomen.

3. Indien er bij vermoede aanwezigheid van het organisme een risico bestaat dat het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal of het oppervlaktewater stromend naar of afkomstig van (een) andere lidstaat (lidstaten) wordt besmet, dient de lidstaat waar de vermoede aanwezigheid is gerapporteerd de andere betrokken lidstaat (lidstaten) onverwijld en overeenkomstig het geconstateerde risico nadere gegevens inzake de vermoede aanwezigheid mede te delen; tussen de betrokken lidstaten wordt op passende wijze samengewerkt. De aldus in kennis gestelde lidstaten treffen voorzorgsmaatregelen overeenkomstig lid 2, onder c), en nemen alle nodige maatregelen overeenkomstig het bepaalde in lid 1 en lid 2.

4. De volgende maatregelen kunnen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 16 bis van Richtlijn 77/93/EEG:

- de maatregelen als bedoeld in lid 2, onder c).