Art. 2 Richtlijn 98/57/EG

Richtlijn 98/57/EG

1. De lidstaten verrichten ieder jaar systematisch officiële onderzoeken naar het organisme op het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal dat van hun grondgebied afkomstig is. Met het oog op de identificatie van mogelijke andere besmettingsbronnen die een bedreiging vormen voor de teelt van het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal, voeren de lidstaten in de productiegebieden van het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal een risico-evaluatie uit en, als daaruit een risico van verspreiding van het organisme naar voren komt, voeren zij gerichte officiële onderzoeken uit naar het organisme op andere planten dan het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal, inclusief in het wild voorkomende nachtschadeachtigen die als gastheerplant kunnen optreden, alsmede zowel in oppervlaktewater dat wordt gebruikt voor irrigatie of bespuiting van het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal, als in vloeibaar afval dat wordt geloosd uit bedrijven waar het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal industrieel wordt verwerkt en verpakt en dat wordt gebruikt voor irrigatie of beregening van het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal. De omvang van deze gerichte onderzoeken wordt bepaald afhankelijk van de geconstateerde risico's. De lidstaten kunnen eveneens officiële onderzoeken naar het organisme op ander materiaal verrichten, zoals groeimedium, grond, en vast afval van bedrijven voor industriële verwerking en verpakking.

2. De in lid 1 bedoelde officiële onderzoeken worden als volgt uitgevoerd:

a) voor het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal: overeenkomstig de in bijlage I, deel II, punt 1, aangegeven methode, en

b) voor andere gastheerplanten dan het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal, alsmede water, inclusief vloeibaar afval: overeenkomstig daartoe geëigende methoden, waarbij, indien van toepassing, monsters worden genomen voor officieel of onder officieel toezicht verricht laboratoriumonderzoek;

c) zo nodig, voor ander materiaal: overeenkomstig de daartoe geëigende methoden.

Met het oog op deze onderzoeken wordt door de verantwoordelijke officiële instanties als bedoeld in Richtlijn 77/93/EEG, volgens deugdelijke wetenschappelijke en statistische beginselen en op grond van de biologische eigenschappen van het organisme, nader bepaald welke inspectieprocedures moeten worden gevolgd, alsmede waar en op welk tijdstip en hoeveel monsters moeten worden genomen en hoe de samenstelling van de steekproef dient te zijn, waarbij rekening wordt gehouden met de voor de betrokken lidstaat specifieke methoden voor de teelt van het in de lijst opgenomen plantaardige materiaal en, zo nodig, andere gastheerplanten van het organisme.

3. Nadere gegevens over en de uitkomsten van de in lid 1 bedoelde onderzoeken worden elk jaar aan de andere lidstaten en aan de Commissie ter kennis gebracht overeenkomstig het bepaalde in bijlage I, deel II, punt 2. Deze kennisgevingen worden gedaan vóór 1 juni, behalve over aardappelen die worden gebruikt als op eigen bedrijf gewonnen zaad waarvoor ze vóór 1 september moeten worden gedaan. De nadere gegevens over en de uitkomsten betreffende de gewassen moeten worden afgezet tegen de productie in het voorgaande jaar. De verstrekte gegevens kunnen aan het comité worden voorgelegd.

4. Volgens de procedure van artikel 16 bis van Richtlijn 77/93/EEG worden bepalingen vastgesteld ten aanzien van:

- de geëigende methoden voor de onderzoeken en de laboratoriumtests als bedoeld in lid 2, eerste alinea, onder b).

5. Volgens de procedure van artikel 16 bis van Richtlijn 77/93/EEG kunnen de volgende bepalingen worden vastgesteld:

- de geëigende methoden voor de onderzoeken als bedoeld in lid 2, eerste alinea, onder c);

- nadere bepalingen inzake de onderzoeken als bedoeld in lid 2, tweede alinea, om te garanderen dat de lidstaten gelijkwaardige garantieniveaus bieden.