Art. 22

1. Indien op het grondgebied van een derde land een in Richtlijn 82/894/EEG van de Raad van 21 december 1982 inzake de melding van dierziekten in de Gemeenschap (22) vermelde ziekte, een zoönose dan wel een andere ziekte of fenomeen uitbreekt of zich verspreidt, waardoor de gezondheid van mens of dier ernstig in gevaar kan worden gebracht, of indien zulks op andere ernstige veterinairrechtelijke gronden of in verband met de volksgezondheid gerechtvaardigd is, met name op grond van de vaststellingen van haar veterinaire deskundigen, of blijkens de in een grensinspectiepost verrichte controles, treft de Commissie eigener beweging of op verzoek van een lidstaat onverwijld naar gelang van de ernst van de situatie een van de onderstaande maatregelen:

- schorsing van de invoer uit het gehele grondgebied van het betrokken derde land of een gedeelte daarvan en, in voorkomend geval, van het derde land van doorvoer,

- vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de producten afkomstig uit het gehele grondgebied van het betrokken derde land of een gedeelte daarvan,

- opstelling, op basis van feitelijke constateringen, van voorschriften voor aangepaste controles, die een specifiek onderzoek naar het gevaar voor de gezondheid van mens of dier kunnen omvatten en, naar gelang van het resultaat van die controles, de verhoging van de frequentie van de materiële controles.

2. Wanneer bij een van de bij deze richtlijn vastgestelde controles blijkt dat een partij producten een gevaar kan vormen voor de gezondheid van mens of dier, neemt de bevoegde veterinaire autoriteit onmiddellijk de volgende maatregelen:

- beslag op en vernietiging van de betrokken partij,

- onmiddellijke kennisgeving aan de andere grensinspectieposten en aan de Commissie van de gedane vaststellingen en van de oorsprong van de producten, overeenkomstig Beschikking 92/438/EEG.

3. In het in lid 1 bedoelde geval kan de Commissie conservatoire maatregelen nemen ten aanzien van de in de artikelen 11, 12 en 13 bedoelde producten.

4. Vertegenwoordigers van de Commissie kunnen zich onmiddellijk ter plaatse begeven.

5. Wanneer een lidstaat de Commissie officieel in kennis stelt van de noodzaak om vrijwaringsmaatregelen te nemen en laatstgenoemde geen gebruik heeft gemaakt van de bepalingen van lid 1 of 3 of de aangelegenheid niet overeenkomstig lid 6 heeft voorgelegd aan het Permanent Veterinair Comité, kan hij conservatoire maatregelen treffen ten aanzien van de betrokken producten.

Wanneer een lidstaat conservatoire maatregelen neemt ten aanzien van een derde land of een inrichting van een derde land, overeenkomstig dit lid, stelt hij de andere lidstaten en de Commissie daarvan in het Permanente Veterinair Comité in kennis.

Binnen tien werkdagen dient deze aangelegenheid op grond van artikel 29 aan het Permanent Veterinair Comité te worden voorgelegd, teneinde de in de leden 1 en 3 vastgestelde maatregelen te verlengen, te wijzigen of in te trekken. Volgens de procedure van artikel 29 kunnen ook de nodige besluiten worden vastgesteld, met inbegrip van besluiten inzake het intracommunautaire verkeer van producten en de doorvoer.

6. Besluiten tot wijziging, intrekking of verlenging van op grond van de leden 1, 2, 3 en 5 vastgestelde maatregelen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 28.

7. De bepalingen ter uitvoering van dit hoofdstuk worden, indien nodig, vastgesteld volgens de procedure van artikel 29.

Uitspraken die dit artikel aanhalen