Art. 33 Verordening (EG) nr. 2200/96
1. Om de nadelen die voor de markt van de Gemeenschap verbonden kunnen zijn aan de invoer van bepaalde in artikel 1, lid 2, bedoelde produkten, te voorkomen of te beperken, wordt bij de invoer van een of meer van deze produkten tegen het in het gemeenschappelijk douanetarief vastgestelde recht een aanvullend invoerrecht toegepast, indien is voldaan aan de voorwaarden van artikel 5 van de Overeenkomst inzake de landbouw (16) die is gesloten in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguay-Ronde, tenzij de invoer de communautaire markt niet dreigt te verstoren of de gevolgen niet in verhouding zouden staan tot het beoogde doel.
2. De prijzen beneden welke een aanvullend invoerrecht kan worden toegepast, zijn die welke door de Gemeenschap aan de Wereldhandelsorganisatie worden doorgegeven.
De hoeveelheden die moeten zijn overschreden voor de toepassing van een aanvullend invoerrecht, worden met name vastgesteld op basis van de invoer in de Gemeenschap tijdens de drie jaren voorafgaand aan het jaar waarin de in lid 1 bedoelde nadelen zich voordoen of zich dreigen voor te doen.
3. De invoerprijzen die in aanmerking dienen te worden genomen voor de toepassing van een aanvullend invoerrecht, worden vastgesteld op basis van de cif-invoerprijzen van de betrokken zending.
De cif-invoerprijzen worden daartoe geverifieerd aan de hand van de representatieve prijzen voor het betrokken produkt op de wereldmarkt of op de communautaire invoermarkt voor het produkt.
4. De uitvoeringsbepalingen van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 46. Deze bepalingen hebben met name betrekking op:
a) de vaststelling van de produkten waarop aanvullende invoerrechten worden toegepast overeenkomstig artikel 5 van de in lid 1 van onderhavig artikel bedoelde Overeenkomst inzake de landbouw,
b) de overige criteria die noodzakelijk zijn om te waarborgen dat lid 1 wordt toegepast overeenkomstig artikel 5 van genoemde Overeenkomst.