Art. 6 Richtlijn 96/49/EG
1. Iedere Lid-Staat kan het vervoer per spoor van overeenkomstig de internationale voorschriften inzake vervoer over zee of door de lucht ingedeelde, verpakte en gekenmerkte gevaarlijke goederen op zijn grondgebied toestaan wanneer het vervoer ook een traject over zee of door de lucht omvat.
Wanneer bij een nationaal of internationaal traject vervoer over zee plaatsvindt, kunnen de Lid-Staten bepalingen toepassen als aanvulling op de bijlage, teneinde rekening te houden met de internationale regels voor het vervoer over zee, met inbegrip van de internationale regels voor het vervoer per veerboot.
2. De bepalingen in de bijlage die betrekking hebben op de vorm van de vervoersdocumenten en op het gebruik van talen in aanduidingen en documenten, gelden niet voor vervoer dat beperkt blijft tot het grondgebied van één enkele Lid-Staat. De Lid-Staten kunnen het gebruik van andere dan de in de bijlage genoemde talen toestaan voor vervoer op hun grondgebied.
3. Iedere Lid-Staat kan uitsluitend op zijn grondgebied het gebruik toestaan van vóór 1 januari 1997 gebouwde spoorwagons die niet aan deze richtlijn voldoen, maar waarvan de constructie in overeenstemming is met de tot en met 31 december 1996 geldende nationale bepalingen, mits deze wagons op het vereiste veiligheidsniveau worden gehouden.
4. Iedere Lid-Staat kan de tot en met 31 december 1996 geldende nationale bepalingen inzake de constructie, het gebruik en de voorwaarden voor het vervoer van nieuwe tanks en nieuwe houders, in de zin van klasse 2 van de bijlage bij deze richtlijn, die verschillen van de bepalingen van de bijlage, handhaven totdat verwijzingen naar normen voor de constructie en het gebruik van tanks en houders worden opgenomen in de bijlage met een even bindend karakter als reeds daarin vervatte bepalingen, en uiterlijk tot en met 31 december 1998. Vóór 1 januari 1999 vervaardigde tanks en houders die zodanig worden onderhouden dat de vereiste veiligheidsniveaus in acht worden genomen, mogen onder de oorspronkelijke voorwaarden in gebruik blijven.
5. Iedere Lid-Staat mag ten aanzien van de referentietemperatuur voor het vervoer op zijn grondgebied van vloeibaar gas of mengsels daarvan andere nationale bepalingen handhaven dan die welke in de bijlage zijn opgenomen, totdat er bepalingen betreffende passende referentietemperaturen voor welbepaalde klimaatzones zijn opgenomen in de Europese normen en daarnaar in de bijlage wordt verwezen.
6. Iedere Lid-Staat kan voor vervoer op zijn grondgebied het gebruik van vóór 1 januari 1997 vervaardigde doch niet overeenkomstig de RID-bepalingen gecertificeerde verpakkingen toestaan, mits op de verpakking de fabricagedatum is aangebracht, de verpakking de desbetreffende tests zou kunnen doorstaan waarin was voorzien in de tot en met 31 december 1996 geldende nationale bepalingen, en alle verpakkingen van dat type zodanig worden onderhouden dat de desbetreffende veiligheidsniveaus in acht worden genomen (waarbij zij waar nodig moeten worden getest en geïnspecteerd), overeenkomstig het volgende tijdschema: metalen transportcontainers voor bulkgoederen en metalen vaten met een inhoud van meer dan 50 liter: gedurende een periode van maximaal 15 jaar vanaf de fabricagedatum; andere metalen verpakkingen en alle plastic verpakkingen: gedurende een periode van maximaal vijf jaar vanaf de fabricagedatum, doch uiterlijk tot en met 31 december 1998.
7. Iedere Lid-Staat kan tot en met 31 december 1998 het vervoer op zijn grondgebied van sommige vóór 1 januari 1997 verpakte gevaarlijke goederen toestaan, mits die goederen ingedeeld, verpakt en gekenmerkt zijn overeenkomstig de eisen van de vóór 1 januari 1997 geldende nationale bepalingen.
8. Iedere Lid-Staat kan voor nationaal vervoer per spoor op zijn grondgebied de voorschriften van zijn tot en met 31 december 1996 geldende nationale wetgeving handhaven met betrekking tot het aanbrengen van een noodmaatregelcode, in plaats van het gevaar-identificatienummer volgens de bijlage bij deze richtlijn.
9. Iedere Lid-Staat kan, na raadpleging van de Commissie, voor het vervoer per spoor van kleine hoeveelheden van bepaalde gevaarlijke goederen op zijn grondgebied, met uitzondering van middel- en hoogradioactieve stoffen, minder strenge bepalingen handhaven dan die welke in de bijlage zijn opgenomen.
10. Iedere Lid-Staat kan toestemming geven voor eenmalig vervoer op zijn grondgebied van gevaarlijke goederen of voor vervoer dat verboden is op grond van de bijlage dan wel vervoer dat wordt uitgevoerd onder voorwaarden die verschillen van die in de bijlage.
11. Mits het Gemeenschapsrecht wordt nageleefd, laat deze richtlijn het recht van de Lid-Staten onverlet om na raadpleging van de Commissie toestemming te verlenen om op welbepaalde trajecten van hun grondgebied geregeld vervoer van gevaarlijke goederen te verrichten dat deel uitmaakt van een welbepaald industrieel proces, en dat verboden is op grond van de bepalingen van de bijlage dan wel wordt uitgevoerd onder voorwaarden die verschillen van die in bovengenoemde bijlage wanneer dit vervoer van lokale aard is en onder duidelijk omschreven voorwaarden streng wordt gecontroleerd.
12. Mits de veiligheid daar niet onder lijdt, kan iedere Lid-Staat toestemming verlenen voor tijdelijke afwijkingen van de bepalingen van de bijlage teneinde op zijn grondgebied proefnemingen te kunnen verrichten die nodig zijn om deze bepalingen te kunnen wijzigingen met het oog op de aanpassing ervan aan de technische en industriële ontwikkelingen. De Lid-Staat stelt de Commissie in kennis van de toegestane afwijkingen. De Commissie stelt de andere Lid-Staten van die afwijkingen in kennis.
De door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op basis van de bijlage overeengekomen tijdelijke afwijkingen moeten in de vorm van een multilaterale overeenkomst aan de bevoegde autoriteiten van alle Lid-Staten worden voorgelegd door de bevoegde autoriteit die het initiatief tot de overeenkomst neemt. De Commissie wordt daarvan in kennis gesteld.
Alle in de eerste twee alinea's bedoelde afwijkingen worden toegepast zonder dat daarbij onderscheid wordt gemaakt naar nationaliteit of vestigingsplaats van de verzender, de vervoerder of de ontvanger, hebben een looptijd van maximaal vijf jaar en zijn niet hernieuwbaar.
13. Iedere Lid-Staat kan uiterlijk tot en met 31 december 1998 bestaande overeenkomsten met andere Lid-Staten blijven toepassen, mits daarbij geen onderscheid naar nationaliteit of vestigingsplaats van de afzender, de vervoerder of de geadresseerde wordt gemaakt. Alle toekomstige afwijkingen moeten voldoen aan lid 12.
(14) Onverminderd het Gemeenschapsrecht tast deze richtlijn niet het recht van de Lid-Staten aan om na raadpleging van de Commissie toe te staan dat voor het lokaal vervoer van gevaarlijke goederen over korte afstand binnen haven- of luchthavengebieden of industrieterreinen minder strenge voorschriften gelden dan die in de bijlage.