Art. 5 Richtlijn 96/49/EG

Richtlijn 96/49/EG

1. Onverminderd andere communautaire wetgeving behoudt iedere Lid-Staat het recht om, uitsluitend om andere redenen dan de vervoersveiligheid, zoals met name nationale veiligheid of milieubescherming, het vervoer van bepaalde gevaarlijke goederen op zijn grondgebied te reguleren of te verbieden.

2. a) Voor het vervoer via de Kanaaltunnel mogen Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk strengere bepalingen vaststellen dan die waarin de bijlage voorziet. Deze bepalingen worden meegedeeld aan de Commissie, die de andere Lid-Staten ervan in kennis stelt.

b) Als een Lid-Staat van mening is dat strengere bepalingen moeten gelden voor het vervoer dat op zijn grondgebied via tunnels met soortgelijke kenmerken als de Kanaaltunnel plaatsvindt, deelt hij dit aan de Commissie mee. De Commissie besluit volgens de procedure van artikel 9 of de tunnel in kwestie vergelijkbare kenmerken vertoont. De door een Lid-Staat vastgestelde bepalingen worden meegedeeld aan de Commissie, die de andere Lid-Staten ervan in kennis stelt.

c) De Lid-Staten waar de omgevingstemperatuur regelmatig lager is dan -20 °C, mogen strengere normen opleggen op het gebied van de bedrijfstemperatuur van het materieel dat bestemd is voor het nationale vervoer van gevaarlijke goederen per spoor op hun grondgebied, totdat in de bijlage van deze richtlijn bepalingen betreffende passende referentietemperaturen voor welbepaalde klimaatzones zijn opgenomen.

3. Wanneer een Lid-Staat naar aanleiding van een ongeluk of een incident van oordeel is dat de geldende veiligheidsvoorschriften kunnen worden verbeterd om de aan het vervoer verbonden risico's verder te beperken en wanneer er een dringende noodzaak bestaat om maatregelen te treffen, stelt hij de Commissie in het stadium van voorbereiding in kennis van de voorgenomen maatregelen. Overeenkomstig de procedure van artikel 9 beoordeelt de Commissie of voor de tenuitvoerlegging van voornoemde maatregelen toestemming moet worden verleend en gedurende welke periode deze maatregelen mogen worden toegepast.

4. De Lid-Staten mogen alle op 31 december 1996 geldende nationale bepalingen handhaven met betrekking tot het vervoer en de verpakking van stoffen die dioxine of furanen bevatten.