Art. 11 Richtlijn 95/18/EG

Richtlijn 95/18/EG

1. Indien er ernstige twijfel bestaat over de naleving van de in deze richtlijn, in het bijzonder in artikel 5, vervatte verplichtingen door een spoorwegonderneming waaraan een vergunning is verleend, kunnen de vergunningverlenende autoriteiten te allen tijde nagaan of aan deze verplichtingen wordt voldaan.

De vergunningverlenende autoriteiten schorsen de vergunning of trekken deze in wanneer zij constateren dat de spoorwegonderneming niet langer aan de in deze richtlijn, en meer bepaald in artikel 5, vervatte verplichtingen voldoet.

2. Wanneer een vergunningverlenende autoriteit van een Lid-Staat constateert dat er ernstige twijfel bestaat over de naleving van de in deze richtlijn vervatte verplichtingen door een spoorwegonderneming waaraan de autoriteit van een andere Lid-Staat een vergunning heeft verleend, stelt zij deze autoriteit daarvan onverwijld in kennis.

3. Onverminderd het bepaalde in lid 1, kunnen de vergunningverlenende autoriteiten in gevallen waarin de vergunning is geschorst of ingetrokken wegens niet-nakoming van de verplichtingen inzake financiële draagkracht, een tijdelijke vergunning verlenen voor de periode waarin de spoorwegonderneming wordt gereorganiseerd, op voorwaarde dat de veiligheid niet in het gedrang komt. De tijdelijke vergunning is echter slechts geldig gedurende een periode van maximaal zes maanden te rekenen vanaf de datum van toekenning.

4. Wanneer een spoorwegonderneming haar activiteiten gedurende zes maanden heeft gestaakt of tijdens de zes maanden na het verkrijgen van een vergunning geen exploitatie is begonnen, kunnen de vergunningverlenende autoriteiten beslissen dat de vergunning opnieuw ter goedkeuring moet worden voorgelegd of moet worden geschorst.

Wanneer met de exploitatie wordt begonnen, kan de spoorwegonderneming verzoeken om een langere termijn, waarbij rekening wordt gehouden met het specifieke karakter van de verrichte diensten.

5. Ten aanzien van een spoorwegonderneming kunnen de vergunningverlenende autoriteiten beslissen dat de vergunning opnieuw ter goedkeuring moet worden voorgelegd bij een wijziging die invloed heeft op de rechtssituatie van de onderneming en meer bepaald in geval van fusie of bedrijfsovername. De betrokken spoorwegonderneming mag de exploitatie voortzetten, tenzij de vergunningverlenende autoriteiten besluiten dat de veiligheid in het gedrang komt, met opgave van de redenen daarvoor.

6. Wanneer een spoorwegondernerming haar activiteiten ingrijpend wil wijzigen of uitbreiden, dient de vergunning aan de vergunningverlenende autoriteiten met het oog op een nieuw onderzoek te worden voorgelegd.

7. De vergunningverlenende autoriteiten kunnen een spoorwegonderneming waartegen een rechtsvordering wegens insolventie of een soortgelijke procedure is ingesteld, haar vergunning niet laten behouden, wanneer zij ervan overtuigd zijn dat er geen realistische vooruitzichten zijn op een bevredigende financiële reorganisatie binnen een redelijke termijn.

8. Wanneer de vergunningverlenende autoriteiten een vergunning hebben geschorst, ingetrokken of aangepast, dient de betrokken Lid-Staat de Commissie onverwijld hiervan in kennis te stellen. De Commissie brengt de andere Lid-Staten onmiddellijk op de hoogte.