Art. 95 Verordening (EG) nr. 40/94, Vermoeden van geldigheid - Verweer ten gronde

Verordening (EG) nr. 40/94

1. De rechtbanken voor het Gemeenschapsmerk beschouwen het Gemeenschapsmerk als geldig, tenzij dit door de gedaagde bij een reconventionele vordering tot vervallen- of nietigverklaring wordt bestreden.

2. De geldigheid van een Gemeenschapsmerk kan niet worden aangevochten met een vordering tot vaststelling van niet-inbreuk.

3. In de in artikel 92, onder a) en c), bedoelde rechtsvorderingen kunnen het verval of de nietigheid van het Gemeenschapsmerk op een andere wijze dan bij een reconventionele vordering alleen worden opgeworpen indien de gedaagde stelt dat het Gemeenschapsmerk vervallen kan worden verklaard wegens onvoldoende gebruik of nietig kan worden verklaard wegens een ouder recht van de gedaagde.